Vordering tot indeplaatsstelling curatoren Scapino afgewezen

Rechtbank Midden‐Nederland, 24 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3438 ‐ Op SmartNewz sinds: 7 juli 2016

Samenvatting:

Vanaf 1 juni 1993 huurt Scapino B.V. (“Scapino”) van Ahold een winkelruimte. Bij vonnis van 8 januari 2016 is het faillissement van Scapino uitgesproken. De curatoren
sluiten een overeenkomst met Scapino Retail B.V. (“Retail”), waarbij de activa van Scapino aan Retail zijn verkocht. Daarnaast heeft Retail de intentie om met de
verhuurders (waaronder Ahold) een nieuwe huurovereenkomst te sluiten. Kort daarna hebben er tevergeefs gesprekken plaatsgevonden tussen Ahold en Retail. Ahold
heeft hierna met Bristol B.V. (hierna: “Bristol”) overeenstemming bereikt over de verhuur van de winkelruimte. Ahold heeft vervolgens de huurovereenkomst met
Scapino op de voet van artikel 39 Fw opgezegd. De curatoren geven geen gehoor aan de huuropzegging en verzoeken Ahold in te stemmen met een minnelijke
indeplaatsstelling. Ahold stemt hier niet mee in en de curatoren starten een indeplaatstellingsprocedure.

De curatoren vorderen:

(i.) Retail in de plaats te stellen van Scapino als huurder van de winkelruimte; en
(ii.) te verklaren voor recht dat de door Ahold gedane huuropzegging nietig is, althans dat deze niet leidt tot het einde van de huurovereenkomst, althans de
huuropzegging van Ahold buiten toepassing te stellen.

Ter onderbouwing van die vorderingen stellen de curatoren dat zij een zwaarwichtig belang hebben bij de indeplaatsstelling. Daarnaast stellen zij dat de huuropzegging
dient te worden gekwalificeerd als misbruik van bevoegdheid, dan wel moet worden geoordeeld dat deze in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

De kantonrechter:

De kantonrechter heeft allereerst het onder (ii.) genoemde beoordeeld omdat het bestaan van een huurovereenkomst voorwaarde is voor een indeplaatsstelling.

ad (ii.): daar Ahold haar opzegging gegrond heeft op art. 39 Fw en een opzegtermijn van drie maanden in acht heeft genomen, moet de opzegging in beginsel als
geldige opzegging moet worden aangemerkt. Het feit dat Ahold’s belang niet gelegen is zich te beschermen tegen een tekortschietende huurder, maar in het financieel
voordeel dat zij met het aangaan van een huurovereenkomst met Bristol heeft kunnen behalen, maakt dit niet anders. Ook zonder dit voordeel had Ahold immers,
gezien de hiervoor geschetste omstandigheden, reeds voldoende belang bij de opzegging. Ahold heeft de huurovereenkomst kunnen opzeggen zonder dat dit misbruik
van bevoegdheid oplevert. Om tot de conclusie te komen dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet zijn van een
evidente onaanvaardbaarheid ‐ waarvan geen sprake is.

ad (i.): de curatoren hebben op grond van de aangedragen punten, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, geen zwaarwichtig belang ‐ dat een criterium is voor
de indeplaatsstelling van art. 7:307 BW ‐ zodat die vordering niet toewijsbaar is. Dit zo zijnde, is het naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Ahold zich op haar opzeggingsbevoegdheid beroept.

De kantonrechter verklaart voor recht dat de huurovereenkomst is geëindigd, veroordeelt de curatoren om de winkelruimte binnen 30 dagen na betekening van het
vonnis te ontruimen en veroordeelt de curatoren tot de kosten van het geding.

Klik hier voor de gehele publicatie van 7 juli 2016 in Wolters Kluwer SmartNewz.

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar