Hoge Raad: eenvoudige maaltijd levert geen daad van aanvaarding op

Erfgenamen hebben na het openvallen van een nalatenschap verschillende keuzes. Zo kunnen zijn de nalatenschap zuiver of beneficiair (onder voorrecht van boedelbeschrijving) aanvaarden dan wel verwerpen.

Meestal wordt de keuze door de erfgenaam kenbaar gemaakt door het afleggen van een schriftelijke verklaring bij de rechtbank (vaak via de notaris). Een keuze kan soms echter ook worden afgeleid uit gedragingen. Zo kan een erfgenaam onbedoeld een ‘daad van zuivere aanvaarding’ verrichten, waarmee hij in privé aansprakelijk wordt voor de schulden van de nalatenschap. Dit is aan de orde wanneer een erfgenaam zich ‘als heer en meester’ over de erfenis gedraagt. Maar hoe ziet zo’n daad van aanvaarding eruit?

Art. 4:192 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt, tenzij hij zijn keuze (voor beneficiaire aanvaarding of verwerping) reeds eerder heeft gedaan. Het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Er is in de rechtspraal al diverse malen geoordeeld over de vraag of gedragingen van een erfgenaam waren aan te merken als een daad van aanvaarding.  Een van de meest spraakmakende uitspraken is die over een etentje bij restaurant “De Koperen Pan” in Delft.

In die zaak waren de erfgenamen op de sterfdag van erflaatster (moeder), na het regelen van zaken rondom de uitvaart, met hun partners een hapje gaan eten bij restaurant De Koperen Pan in Delft. De rekening van € 119,00 werd door de erfgenamen betaald van het banktegoed van erflaatster. Een van de schuldeisers van de nalatenschap legde aan de kantonrechter de vraag voor of deze gedraging een daad van zuivere aanvaarding betrof. De kantonrechter oordeelde dat dit niet het geval was. In hoger beroep kwam het Hof Den Haag echter tot het oordeel dat de erfgenamen gelden van de erflaatster voor zichzelf hadden gebruikt en daarmee wél een daad van zuivere aanvaarding hadden verricht. Het oordeel van het Hof leidde ertoe dat de erfgenamen gehouden waren de schulden van de nalatenschap uit hun eigen vermogen te voldoen.

De erfgenamen lieten het hier echter niet bij zitten en stelden cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof. Zij haalden hun gelijk bij de Hoge Raad. In zijn uitspraak van 27 mei 2015 oordeelt de Hoge Raad dat  er in dit geval sprake was van handelingen die erop gericht waren de erflater een passende uitvaart te bezorgen. Een overleg als in deze zaak aan de orde was (en het maken van redelijke kosten daarvoor, zoals een eenvoudige maaltijd) kan dan niet als een daad van aanvaarding worden aangemerkt.

De omstandigheden van het geval speelden een belangrijke rol bij de beoordeling van de zaak. De Hoge Raad overwoog dat het Hof ten onrechte niet had gereageerd op een aantal stellingen van de erfgenamen.  Zo hadden zij erop gewezen dat zij op de sterfdag van erflaatster vanuit haar woning in Delft de begrafenis en uitvaart hadden geregeld. In de woning van erflaatster was geen eten en drinken aanwezig en de erfgenamen waren te ver van huis om thuis te eten. De erfgenamen stelden voorts dat de kosten van de door hen genuttigde maaltijd als kosten van de begrafenis waren aan te merken.

Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad zijn de erfgenamen dus toch niet gehouden de schulden van de nalatenschap uit hun eigen vermogen te voldoen. Dat zullen zij ongetwijfeld (met een eenvoudige maaltijd?) vieren.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar