Het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste: is de rol van de concurrent toch niet uitgespeeld?

Sinds 2013 kent het bestuursrecht het relativiteitsvereiste: je kunt bij de bestuursrechter geen beroep doen op normen die niet jouw belangen beogen te beschermen.

Dit lijkt ingewikkeld, maar in de meeste gevallen is dat niet het geval. Zo kan een bewoner van een villawijk die zich verzet tegen de komst van een woonwagenpark niet met succes het standpunt innemen dat ter plaatse van dat woonwagenpark geluidhinder zal worden ondervonden van een nabijgelegen bedrijf. Een ander voorbeeld: een sportschool die aan de andere kant van het dorp is gelegen kan geen punt maken van het feit dat aan zijn concurrent lagere parkeernormen worden opgelegd dan aan hemzelf. Feitelijk ondervindt de sportschool geen hinder van de (te) lage parkeernorm.

Of kan de sportschool straks wel met succes een beroep doen op handhaving van dezelfde parkeernormen? Die vraag ligt nu voor bij de staatsraad advocaat-generaal van de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een bestemmingsplanprocedure advies gevraagd over de mogelijkheid om het beroep van een bouwmarkt op overtreding van de veiligheidsnormen bij een concurrerende bouwmarkt toch inhoudelijk te beoordelen. Voorheen had de Afdeling waarschijnlijk meteen geoordeeld dat de bouwmarkt zich niet heeft te bemoeien met de veiligheid in het pand van zijn concurrent (lees: dat de bouwmarkt bij de beoordeling van de kwestie geen belang had), maar wellicht overweegt de Afdeling nu een meer genuanceerde koers te varen.

Tenminste als de advocaat-generaal vindt dat in het bestuursrecht  een correctie op het relativiteitsvereiste dient plaats te vinden (net als in het civiele recht: de correctie Langemeijer). Die correctie zou betekenen dat je bij de bestuursrechter wel een beroep kunt doen op normen die niet jouw belangen beogen te beschermen, als schending van die normen ook in strijd is met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die wél jouw belangen beschermt. Het gaat dan bijv. om het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Zo zou een concurrent met een beroep op het gelijkheidsbeginsel toch kunnen bereiken dat de bestuursrechter het besluit toetst aan de (verondersteld geschonden) geschreven norm, zoals de veiligheidsnorm.

De advocaat-generaal is niet alleen gevraagd óf de correctie Langemeijer ingevoerd zou moeten worden in het bestuursrecht, maar ook wat een concurrent die zich wil beroepen op schending van de geschreven norm zou moeten aanvoeren over de schending van de ongeschreven norm, zoals het gelijkheidsbeginsel.

Indien de advocaat-generaal oordeelt dat een correctie op het relativiteitsvereiste mogelijk is, dan wordt het procedurele speelveld voor de concurrent weer groter. Ik stel mij voor dat een concurrerende bouwmarkt met een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet alleen schending van de veiligheidsnormen kan aanvoeren, maar er ook een punt van kan maken als de concurrent geen extra parkeerplaatsen hoeft aan te leggen, terwijl hij daar zelf net wel in heeft moeten investeren.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar