Geschorste bestuurder

Geschorste bestuurder gehoord bij faillietverklaring; vennootschap ontvankelijk in haar verzet.

De heer A (“A”) en de heer B (“B”) zijn de bestuurders en –middels hun persoonlijke holdings –ieder voor 50% aandeelhouder van Royaums B.V. (“Royaums”). A heeft de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Royaums en bij voorlopige voorziening verzocht B als bestuurder te schorsen. B heeft een verweerschrift ingediend en daarbij als tegenverzoek verzocht A als bestuurder te schorsen. De Ondernemingskamer heeft bij beschikking zowel A als B als bestuurder van Royaums geschorst en een tijdelijke bestuurder benoemd en bepaald dat, met uitzondering van twee aandelen, alle aandelen van Royaums ten titel van beheer worden overgedragen aan een derde. Bij mondelinge beslissing van 12 januari 2017 heeft de Ondernemingskamer beslist dat de schorsing van A per onmiddellijke ingang werd beëndigd, evenals de benoeming van een tijdelijke bestuurder. De heer X heeft op 28 december 2016 verzocht Royaums in staat van faillissement te verklaren. Hij stelt een loonvordering op Royaums te hebben uit hoofde van een dienstverband. Dit verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 17 januari 2017, waar aanwezig waren (de gemachtigde van) X en B. Dezelfde dag is Royaums in staat van faillissement verklaard. Royaums stelt verzet (en hoger beroep) in tegen de faillietverklaring.

De rechtbank:

In het vonnis van 17 januari 2017 is vermeld dat namens Royaums B is gehoord. Vaststaat echter dat B was geschorst als bestuurder van Royaums en dat zijn bevoegdheid om deze te vertegenwoordigen was vervallen. Daaruit volgt dat Royaums niet rechtsgeldig ter zitting is vertegenwoordigd en dus niet is gehoord. Met het oog op het recht tot toegang tot de rechter en gelet op de ingrijpende gevolgen die faillietverklaring heeft, is Royaums dan ook ontvankelijk in haar verzet. Weliswaar is tevens tijdig hoger beroep tegen het vonnis ingesteld, maar dat laat het voorgaande onverlet, nu behoudens dat een instantie wordt onthouden, de maatstaf in hoger beroep ten aanzien van de vordering die de aanvrager van het faillissement stelt te hebben, niet gelijk is aan de te hanteren maatstaf daarvoor in eerste aanleg (ECLI:NL:HR:2015:1473 ).

Klik hier om de gehele publicatie van 20 april 2017 van Wolters Kluwer SmartNewz te lezen

Dirk de Jong ‐ Holla Advocaten

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar