Accountant berispt na schending fundamentele beginselen van de Verordening Gedragscode

Klager ‐het Bureau Financieel Toezicht (“BFT”)‐ heeft in het kader van zijn toezichthoudende taak op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme (Wwft) in 2014 een onderzoek ingesteld bij het accountantskantoor van de betrokkene (“A”). Een van de beoordeelde dossiers betrof het dossier van
onderneming B (“B”) waarvan A de verantwoordelijke accountant was. De aandelen van B waren in 2010 verkocht aan een Indiase vennootschap (“C”) en de heer D was
sedert 2011 enig bestuurder van B. A heeft volgens BFT bepalingen van de Wwft en de Verordening gedrags‐ en beroepsregels accountants (VGBA) overtreden,
aangezien:

i.) van D de identiteit niet was geverifieerd;
ii.) van C geen informatie uit een handelsregister (of vergelijkbare informatie) aanwezig was;
iii.) het onbekend was wie de de uiteindelijk belanghebbende (“UBO”) was van B/C;
iv). A in het dossier, onder omstandigheden die daartoe wel aanleiding gaven, heeft nagelaten een verscherpt cliëntenonderzoek in te stellen;
v.) A notulen van de algemene vergaderingen van aandeelhouders en de jaarstukken met een onjuiste datering en inhoud heeft opgesteld.

Accountantskamer:

Ad i.) dat A de identiteit van D ‐na constatering van BFT dat dit niet was gebeurd‐ alsnog heeft geverifieerd, kan niet afdoen aan hetgeen A hier wordt verweten.
Deze omissie van A levert overtreding van art. 3 lid 2 onder e. juncto g. Wwft op;
Ad ii. + iii.) nu A heeft erkend dat hij onvoldoende informatie over de UBO van B had en niet valt in te zien hoe hij die informatie had kunnen verkrijgen zonder eerst
te beschikken over dezelfde gegevens van C ‐welke vennootschap de 100% aandeelhouder van B is‐ zijn deze klachtonderdelen mitsdien gegrond en is Art. 3 Wwft
overtreden;
Ad iv.) A had na het bekend worden met het verzoek van de Indiase fiscus om informatieuitwisseling over onderlinge transacties tussen B en C ‐terwijl hij onbekend
was met de UBO van B en de vertegenwoordiger/bestuurder woonachtig was in India‐ op grond van art. 3 lid 2 onder d. juncto artikel 8 lid 1 Wwft een verscherpt
cliëntonderzoek dienen in te stellen;
Ad v.) Het gaat steeds om een achteraf gekozen datum, waarop de inhoud van de jaarrekeningen nog niet bekend was. Of deze later wel of niet gewijzigd is, doet
daar niet aan af. A heeft ‐in strijd met art. 6 VGBA‐ bewust materieel onjuiste notulen opgesteld.

Met deze overtredingen heeft A weliswaar in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen ‘integriteit’, ‘professioneel gedrag’ en ‘vakbekwaamheid en
zorgvuldigheid’ als bedoeld in de Verordening Gedragscode, maar de Accountantskamer acht niet aannemelijk geworden dat boos opzet voorop heeft gezeten. Voorts
heeft betrokkene verklaard dat hij de relatie met deze cliënt heeft beëindigd en lijkt hij tot het inzicht te zijn gekomen dat het verlenen van diensten aan een enkele
internationale cliënt niet past binnen zijn praktijkvoering.

De Accountantskamer is van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met een berisping.

Klik hier voor de gehele publicatie van 18 augustus 2016 in Wolters Kluwer SmartNewz.

Dirk de Jong ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar