Algehele economische gemeenschap bij samenlevers

Rechter neemt stilzwijgende afspraak tot bestaan algehele economische gemeenschap bij samenlevers aan.

Het Gerechtshof te Den Haag heeft op 1 maart 2016 weer eens bevestigd hoe belangrijk het is om afspraken na te leven. Dat dit niet enkel geldt voor gehuwden met huwelijkse voorwaarden, maar evengoed voor samenlevers met een samenlevingsovereenkomst blijkt uit de navolgende casus.

Een man en een vrouw woonden ongehuwd samen. Op enig moment tijdens de samenleving werden hun privé bankrekeningen opgeheven en liepen alle inkomsten en uitgaven enkel nog via gemeenschappelijke bankrekeningen. Er werd door partijen geen administratie gevoerd. Bij het einde van de relatie is tussen hen een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling van hun vermogen. Zowel de rechtbank in eerste aanleg als het hof in hoger beroep komen tot de conclusie dat de samenlevers niet de intentie hadden om de vermogens gescheiden te houden. Als de vrouw haar vermogen had willen afscheiden van het vermogen van de man, had het mede op haar weg gelegen om haar vermogen op een deugdelijke wijze af te scheiden en te administreren door bijvoorbeeld het aanhouden van een eigen bankrekening en het vastleggen van geldstromen. Eveneens had zij mogelijke schenkingen goed moeten vastleggen. Beide partijen beschikten bij de aanvang van hun samenleving over vermogen. Beide partijen genoten tijdens hun samenleving inkomsten en beide partijen hadden zich dus moeten realiseren dat als men geen administratie voert, dit tot gevolg kan hebben dat men zijn rechten niet meer kan bewijzen, aldus de rechter. De rechter vond hiervoor ook bevestiging in de samenlevingsovereenkomst, waarin in artikel 4 rekening was gehouden met de mogelijkheid dat partijen geen van beiden zijn of haar recht op een goed kan bewijzen. In dat geval worden zij geacht ieder voor de helft als eigenaar respectievelijk rechthebbende tot dat goed gerechtigd te zijn. De consequentie van de wijze van bankieren en administreren die partijen hebben gekozen, is dat in economische zin ervan mag worden uitgegaan dat beide partijen gelijk gerechtigd zijn tot de goederen van de man én van de vrouw. Er werd dus een algehele economische gemeenschap aangenomen. Dat er goederenrechtelijk geen gemeenschap bestaat, zoals bij de wettelijke gemeenschap van goederen wel het geval is, doet hieraan niet af.

Klik hier voor de gehele uitspraak

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar