Tegenbewijs tegen dwingend bewijs?

Hof ‘s‐Hertogenbosch, 10 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1829 ‐ Op SmartNewz sinds: 12 mei 2016

Samenvatting:

In 2004 heeft appellante (“X”) € 300.000,‐ geleend aan Y (“Geldlening”). X en Y zijn op 11 september 2009 gehuwd. Op 4 september 2009 hebben X en Y ten overstaan
van een notaris een overeenkomst van geldlening ondertekend (“Akte”). In de Akte is onder meer bepaald dat Y per 1 oktober 2004 een bedrag van € 300.000,‐
schuldig is aan Y, dat de hoofdsom of het restant in zijn geheel opeisbaar is ingeval van ‐ onder andere ‐ faillissement en dat vanaf het opeisbaar worden van de
hoofdsom Y een rentevergoeding verschuldigd is van 10 % per jaar. Y heeft de Geldlening inclusief € 160.000,‐ rente op 10 februari 2010 terugbetaald. Y ‐ alsmede ook
de vennootschappen waarvan Y statutair bestuurder was ‐ is bij vonnis van 5 februari 2013 in staat van faillissement verklaard.

De curator van Y stelt dat: (i.) de Geldlening niet opeisbaar was en dat Y derhalve op 12 februari 2010 de Geldlening onverplicht heeft afgelost; en (ii.) de rente ad €
160.000,‐ onverschuldigd is betaald. De curator stelt dat die betalingen derhalve vernietigbaar zijn op grond van art. 42 Fw en vordert van X op die grond € 460.000,‐,
te vermeerderen met rente.

X stelt dat, anders dan in de Akte tot uitdrukking is gebracht, wel de betaling door Y is overeengekomen zoals deze op 12 februari 2010 door Y is gedaan en dat de
betaling derhalve niet onverplicht noch onverschuldigd is. X voert daartoe ‐ onder andere ‐ aan een kopie van een schriftelijke schuldbekentenis d.d. 29 september
2004 waarin is opgenomen dat Y het geleende bedrag en een rente ad € 150.000,‐ zal terugbetalen op 1 oktober 2009.

Het Gerechtshof:

Het hof stelt eerst vast ‐ in tegenstelling tot de rechtbank ‐ dat de Akte aan te merken is als een authentieke of onderhandse akte conform art. 157 lid 2 Rv, ingevolge
welke bepaling de in de Akte opgenomen verklaringen van X en Y omtrent hetgeen zij met elkaar zijn overeengekomen tussen hen dwingend bewijs opleveren. De
Curator kan zich, mede gelet op het bepaalde in art. 123 Fw, op het in de Akte gelegen dwingend bewijs beroepen. Op voet van art. 151 lid 2 jo. art. 152 Rv kan X
tegenbewijs ‐ ook tegen dwingend bewijs ‐ leveren door alle middelen.

Het hof overweegt vervolgens ten aanzien van de door X overlegde kopie van een schriftelijke schuldbekentenis d.d. 29 september 2004 dat, naar in art. 160 Rv is
bepaald, de kracht van het schriftelijk bewijs in de oorspronkelijke akte is gelegen en dat bij de gemotiveerde betwisting door de curator van die schuldbekentenis
eerst het bestaan daarvan dient te worden aangetoond. Nu X ‐ook met de overige overgelegde bewijs‐ nog niet is geslaagd in het door haar te leveren tegenbewijs
maar zij wel uitdrukkelijk (nader) bewijs van al haar stellingen heeft aangeboden, laat het hof haar tot nadere bewijsvoering op dit punt toe en houdt iedere verdere
beslissing aan.

Klik hier voor de gehele publicatie van 12 mei in Wolters Kluwer SmartNewz

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar