De renovatie in de ROZ modellen

Uit de praktijk blijkt dat het voor een verhuurder erg praktisch is om een beroep te kunnen doen op een vermoeden van redelijkheid van een renovatievoorstel.
Dit geldt zeker in een kort geding procedure.

Art. 13.2 ROZ bevat, goed beschouwd, een nadere invulling van het wettelijk criterium aangaande dit vermoeden.
Deze nadere invulling maakt het voor een verhuurder eenvoudiger om aan dit vermoeden van redelijkheid te kunnen voldoen.
Het ROZ-criterium over het vermoeden van redelijkheid staat, naar mijn mening, ook dicht genoeg bij de wettekst om niet snel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te worden geacht.

In een voorkomend geval, bijvoorbeeld wanneer al een renovatie ‘in de pijplijn zit’, is het aanbevelenswaardig in de huurovereenkomst een specifieke bepaling op te nemen over de medewerking van de huurder aan een toekomstige renovatie.22.
Het sneller aannemen van een vermoeden van redelijkheid van een renovatievoorstel is, ten opzichte van de wettelijke regeling van art. 7:220 BW,
naar mijn mening voor een verhuurder het grootste voordeel van de renovatieregeling in dit ROZ model.

Het hele artikel van Egbert Schelhaas in het Tijdschrift Huurrecht Bedrijfsruimte vindt u hier: 2016 – ROZ renovatie ES

Egbert Schelhaas

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar