Convenant, echtscheidingsbeschikking en executoriale kracht

Partijen zijn vrij om bij een echtscheidingsconvenant rechten en verplichtingen aan te gaan inzake hun echtscheiding. In een echtscheidingsconvenant leggen scheidende partijen afspraken vast met betrekking tot de gevolgen (rechten/verplichtingen) die de scheiding voor hen met zich brengt. Een convenant heeft aldus het karakter van een overeenkomst. Dat karakter verandert niet, wanneer een convenant ‘als opgenomen beschouwd’ wordt meegenomen in een echtscheidingsbeschikking. Juist dit punt verdient (de laatste tijd) enige aandacht, op twee onderdelen. Het eerste betreft de vraag of rechten en verplichtingen uit het convenant door de enkele ‘opname’ in de echtscheidingsbeschikking kracht van gewijsde verkrijgen. Wij bespraken die vraag in EB 2012/3 en EB 2013/41 en gaven aan dat hier het overeenkomstkarakter van een convenant vooropstaat. Partijen kunnen zelf, in de bewoordingen die zij kiezen in het convenant, bepalen of het convenant de status van ‘binding uit overeenkomst’ zal behouden of onderdeel zal worden van de rechterlijke arbeid. In het laatste geval zal het
convenant – met het vonnis – kracht van gewijsde kunnen krijgen. Strikt naar het overeenkomstkarakter genomen rijst daarbij de vraag waaruit die rechterlijke arbeid dan moet bestaan (als er een overeenkomst tussen partijen is gesloten). Daarover meer in deze bijdrage. Het tweede onderdeel betreft de vraag naar de executoriale kracht van een convenant dat ‘als opgenomen beschouwd’ wordt meegenomen in het dictum van een rechterlijke beschikking, waarbij het convenant aan de beschikking wordt gehecht. Met het oog op deze vraag zullen hieronder achtereenvolgens de praktijk en de rechtsleer omtrent het aanhechten van een convenant worden weergegeven (par. 2 respectievelijk 3). Blijken zal, dat in zowel praktijk als rechtsleer het overeenkomstkarakter van een convenant vooropstaat. Tegen die achtergrond wordt de vraag besproken voor welke verplichtingen executoriale kracht kan worden aangenomen. Een recente uitspraak van de Hoge Raad vestigt op dit punt de aandacht (HR 8 februari 2013, NJ 2013/123, m.nt. H.J. Snijders; JOR 2013/126, m.nt. A. Steneker). De Hoge Raad maakt namelijk duidelijk dat eerst een aantoonbare en concrete afspraak moet bestaan tussen partijen, alvorens aan kracht van executie kan worden gedacht. Het geheel wordt besloten met een conclusie (par. 5).

Klik hier voor het hele artikel dat verschenen is in het EB Tijdschrift voor scheidingsrecht.

Peter de Bruijn

Roel Westrik, Hoofd Wetenschappelijk Bureau

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar