Betrokkene moet onderbouwen dat schade gevolg is van het gegrond verklaarde deel van de klacht

Voor Jurisprudentie Gedwongen zorg (‘JGz’) schreef Jeffrey Groen een annotatie bij de beschikking van het hof Den Haag van 18 mei 2022.

De betrokkene in deze zaak In deze zaak ging het om de beslissing van de geneesheer-directeur om de zorg aan de betrokkene – die op basis van een zorgmachtiging was opgenomen – over te dragen aan GGZ Drenthe. Over deze beslissing had de betrokkene zich beklaagd bij de klachtencommissie, de rechtbank en de Hoge Raad. De Hoge Raad casseerde en wees de zaak terug naar de rechtbank. De rechtbank verklaarde de klacht van betrokkene alsnog gegrond, maar (slechts) voor zover het ging om de motivering van de beslissing. Die motivering werd evenwel door de rechtbank hersteld. Het schadevergoedingsverzoek van de betrokkene wees de rechtbank af, omdat slechts sprake was van een motiveringsgebrek. Tegen die afwijzing ging de betrokkene in hoger beroep. Ook het hof wees het schadevergoedingsverzoek af en oordeelde dat de door de betrokkene aangevoerde schade niet samenhing met het motiveringsgebrek, maar met de overplaatsing naar en het verblijf bij GGZ Drenthe. Oftewel: niet vaststond dat de vermeende schade was geleden ten gevolge van het motiveringsgebrek.

Uit de beschikbare jurisprudentie over schadevergoedingen op de grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (‘Wvggz’) is steeds meer af te leiden over de eisen die rechters stellen aan de stelplicht en bewijslast. Zo ook wat betreft het vereiste van een causaal verband tussen de gestelde schade en het niet-naleven van de wet. In deze annotatie wordt de balans van de uitspraken op dit punt opgemaakt.

Lees hier de volledige publicatie.