Bestuurdersaansprakelijkheid

“Dit arrest van de Hoge Raad betreft een geval van bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:248 BW. Kort gezegd: de jaarrekening was te laat gedeponeerd en er was een agiobesluit genomen. De belangrijkste klachten van het middel zien op de wijze waarop het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW kan worden weerlegd.”

Op 12 juni 2012 is het faillissement uitgesproken van Exiton B.V. (hierna: “Exiton”). De jaarrekening van Exiton over 2009 is niet tijdig, dat wil zeggen niet binnen de wettelijke (uiterste) termijn van (toentertijd) 13 maanden na afloop van het boekjaar, gedeponeerd, maar in plaats daarvan pas op 8 april 2011. Jaarrekeningen over eerdere jaren werden steeds tijdig gedeponeerd. Bij besluit van 19 december 2011 heeft de algemene vergadering van Exiton besloten om een agiouitkering aan Exiton Holding te doen tot een bedrag van € 220.000,— ondanks dat in de jaarrekeningen van 2009 en 2010 in de continuiteitsveronderstelling te lezen is dat: “gezien de financiële positie van de vennootschap is haar voortbestaan onzeker. Een duurzame voortzetting van de bedrijfsuitvoering is echter niet onmogelijk.”

In cassatie is uitsluitend de primaire grondslag van de vorderingen van de curator nog van belang, namelijk kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. (2:11 BW jo.) 2:248 lid 1 BW. In dat verband heeft de curator aangevoerd:
a. Wat betreft de jaarrekening over 2009 is niet tijdig voldaan aan de publicatieplicht van artikel 2:394 BW, zodat ex art. 2:248 lid 2 BW het bewijsvermoeden geldt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
b. Op instigatie van Exiton Holding en [eiser] heeft Exiton op 19 december 2011 een agiouitkering van € 220.000,— aan Exiton Holding gedaan. Deze agiouitkering was niet verantwoord in het licht van de slechte financiële staat waarin Exiton op dat moment verkeerde en heeft de vennootschap ernstig benadeeld.

Rechtbank: bij vonnis van 8 januari 2014 heeft de rechtbank geoordeeld, kort samengevat, dat weliswaar [eiser] erin is geslaagd het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW te ontzenuwen, maar dat op grond van de hiervoor onder b bedoelde feiten (kort gezegd het agiobesluit) niettemin sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Op grond daarvan heeft de rechtbank de primaire vordering van de curator toegewezen.

Hof: bij arrest van 9 juni 2015 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met wijziging van de gronden. De conclusie van het hof is dat [eiser] er niet in is geslaagd om het in art. 2:248 lid 2 BW bedoelde bewijsvermoeden te ontzenuwen; aangevoerde gewijzigde marktomstandigheden vallen niet te rijmen met betalen van eigen kosten en het agiobesluit.

Hoge Raad: de in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Lees het gehele artikel van Pim van de Goor op SmartNewz.

Hoge Raad, 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:215 ‐ Op SmartNewz sinds: 12 februari 2017

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar