Beroep op verrekening curator met vermeende tegenvordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur

Rechtbank Midden‐Nederland, 23 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1499 ‐ Op SmartNewz sinds: 24 maart 2016

Eiser is vanaf 1 oktober 2009 enig statutair bestuurder van een stichting actief in de zorg (de “Stichting”). Op initiatief van de Stichting is de arbeidsovereenkomst van eiser middels een vaststellingsovereenkomst beëindigd per 31 december 2011. Eiser is een beeïndigingsvergoeding toegekend van € 189.804,00 (de “Vordering”). Op 27 december 2011 is de Stichting gefailleerd met benoeming van gedaagde tot curator (“Curator”). Eiser heeft de Vordering tevergeefs als preferente vordering bij de curator ingediend. Op 6 maart 2014 vindt een verificatievergadering plaats, waarbij eiser niet is verschenen. De rechter‐commissaris verwijst de Vordering naar de renvooiprocedure. De Curator maakt vervolgens een uitdelingslijst op en nadat deze ter inzage is gelegd en verbindend is geworden betaalt zij de preferente crediteuren uit. Bij brief van 30 juli 2015 heeft de curator eiser op de voet van art. 2:9 BW en 6:162 BW (voorlopig) aansprakelijk gesteld voor de door de Stichting geleden schade. Bij renvooivonnis van 23 september 2015 is de Vordering als preferente vordering in het faillissement van de Stichting erkend. Eiser vordert in dit kort geding: (i.) uitbetaling door de Curator van de Vordering te vermeerderen met, bij wijze van boedelschuld, de wettelijke rente; en (ii.) de curator te verbieden ten laste van eiser conservatoir beslag onder zichzelf te leggen.

De Voorzieningsrechter verwerpt:

(i.) het verweer dat eiser niet ontvankelijk is: Eiser is ontvankelijk in zijn vorderingen nu de Vordering conform art. 110 Fw ter verificatie is ingediend. Eiser komt daarnaast geen beroep op art. 69 Fw toe omdat langs deze weg geen persoonlijke rechten tegen de boedel geldend worden gemaakt; en

(ii.) mede gelet op art. 6:136 BW ‐ het beroep van de Curator op verrekening of opschorting ten behoeve van latere verrekening. Het bestaan en de omvang van de vermeende tegenvordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur staat nog geenszins vast en is ook niet op eenvoudige wijze vast te stellen; en

(iii.) de verweren met betrekking tot de spoedeisendheid en het restitutierisico. Het feit dat van Eiser in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de bodemprocedure afwacht, is voor spoedeisendheid voldoende. Het restitutierisico noch de redelijkheid en billijkheid geven in casu aanleiding het gevorderde af te wijzen.

Het door Eiser gevorderde algemeen verbod tot het leggen van conservatoir beslag onder zichzelf gaat de Voorzieningenrechter echter te ver. Wel dient de Curator ‐bij het desbetreffende verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag onder zichzelf‐ een afschrift van dit vonnis te voegen. Niet valt immers uit te sluiten dat de Curator in staat zal zijn haar vordering dusdanig concreet te maken dat een dergelijk conservatoir beslag gerechtvaardigd is.

De Voorzieningenrechter veroordeelt de Curator om de Vordering (te vermeerderen met wettelijke rente, als zijnde boedelschuld) te voldoen en bepaalt dat indien de Curator ten laste van Eiser conservatoir beslag wil laten leggen onder de boedel van Stichting, zij aan het daartoe strekkende verzoekschrift een afschrift van dit vonnis dient te hechten.

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

Klik hier voor de gehele publicatie d.d. 24 maart 2016 van Pim van de Goor in Wolters Kluwer, SmartNewz Insolventie recht.

 

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar