Drie annotaties bij College van Medisch Toezicht

Ernstig strafrechtelijk verleden, geestelijke gesteldheid en het beroep van arts

 

Mag een arts die in het verleden is veroordeeld voor moord, na uitzitting van zijn straf, weer gewoon zijn beroep als arts oppakken? Op welke
grondslag kan de arts eventueel worden verboden zijn beroep weer uit te oefenen? En wie bepaalt dat eigenlijk? Dat zijn de kernvragen in de reeds
veelbesproken casus van de arts die in het verleden twee junks opdracht had gegeven zijn eigen vrouw te vermoorden door haar te overgieten met
brandstof en die vervolgens aan te steken. De vrouw overleefde de aanslag weliswaar, maar raakte daarbij ernstig verminkt. De arts werd voor zijn
daad veroordeeld en ging na zijn vrijlating werken als basisarts in een verpleeghuis. Na aandacht van de media, een klacht van de Inspectie voor de
Gezondheidszorg (IGZ) bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle (RTG Zwolle 15 november 2013, GZR 2014-0041) en
hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG 12 februari 2015, GZR 2015-0068) was de conclusie, kort gezegd, dat
de arts zijn werk mocht blijven uitvoeren. Voorlopig sluitstuk van deze geschiedenis is de hier geannoteerde uitspraak van het College van Medisch
Toezicht (CMT), waaruit volgt dat de arts met onmiddellijke ingang alsnog wordt verboden zijn beroep als arts nog langer uit te oefenen.

Wat ging er aan de uitspraak van het CMT vooraf?
De poging tot moord door de hierboven bedoelde arts vond plaats in juli 2003. Na zijn arrestatie vond in 2004 een psychiatrisch onderzoek plaats in
het Pieter Baan Centrum. De diagnose luidde dat de arts leed aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anders Omschreven) die werd
gekenmerkt door borderline, narcistische en antisociale aspecten. Het hof oordeelde dat de arts hierdoor enigszins verminderd toerekeningsvatbaar
was. Op 8 april 2005 is de arts veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. Tijdens zijn detentie mocht hij zijn kennis op peil houden en heeft hij
enige tijd stage gelopen bij een praktijk voor klassieke homeopathie. Met ingang van 12 juli 2012 is de arts, kennelijk kort na zijn (voorwaardelijke)
vrijlating, gestart als basisarts in een verpleeghuis. De IGZ was, toen haar dit eenmaal ter ore kwam, echter van oordeel dat de arts een dusdanig
ernstig delict had gepleegd dat dit, hoewel het werd begaan in de privésfeer, niet was te verenigen met het beroep van arts en een onmiddellijk gevaar
opleverde voor de individuele gezondheidszorg. Met een beroep op de tweede tuchtnorm zoals neergelegd in artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG
verzocht de IGZ het RTG de registratie van de arts in het BIG-register door te halen en hem met onmiddellijke ingang te schorsen. Op 15 november
2013 verklaarde het RTG de IGZ echter niet-ontvankelijk. In deze naar mijn oordeel sterk onderbouwde uitspraak oordeelde het RTG dat noch de
tekst van artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG noch de wetsgeschiedenis ruimte laten voor een veroordeling van handelen dat niet plaatsvond in de
hoedanigheid van arts, zoals hier het geval was. Belangrijk is naar mijn oordeel voorts de wenk die het RTG nog meegaf. Anders dan in de
onderhavig procedure bij het tuchtcollege, zo stelde het RTG, bestaat in een procedure bij het CMT – die uitsluitend door de IGZ aanhangig kan
worden gemaakt – de mogelijkheid om te laten beoordelen of verweerder al dan niet geschikt moet worden geacht tot de uitoefening van het beroep
van arts, in welk verband bovendien opdracht kan worden gegeven hem psychiatrisch te onderzoeken op zijn actuele psychische gesteldheid.

Caroline van der Kolk-Heinsbroek – Holla Advocaten

Klik hier de gehele publicatie d.d. 22 augustus 2015 van Caroline van der Kolk-Heinsbroek in GZR Updates Gezondheidsrecht.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar