‘afgeleide’ schade

Geen ‘afgeleide’ schade van DGA als schuldeiser/borg.

Appellant is enig aandeelhouder en bestuurder van Holding B.V. (“Holding”). Holding was enig aandeelhouder van een vijftal werkmaatschappijen, waaronder Eye
Center Europe B.V. (“ECE”), welke zich bezig hield met ooglaserbehandelingen. De Consumentenbond heeft ‐ na onderzoek ‐ een artikel gepubliceerd waarin ECE als
enige kliniek slecht uit de bus kwam. ECE is daarna een kort geding tegen de Consumentenbond gestart. In eerste aanleg en in hoger beroep is geoordeeld dat de
Consumentenbond onrechtmatig heeft gehandeld jegens ECE. ECE is uiteindelijk gefailleerd en enkele jaren later ook Holding. Appellant heeft gevorderd een
verklaring voor recht dat de Consumentenbond aansprakelijk is voor de door hem en Holding geleden schade, en veroordeling tot vergoeding van die schade. De
rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, overwegende dat:

(i.) de Consumentenbond niet onrechtmatig jegens appellant heeft gehandeld; en

(ii.) niet duidelijk is geworden welke schade (anders dan de nadrukkelijk niet gevorderde afgeleide schade) Holding zou hebben geleden, zodat de vordering die
appellant heeft ingesteld op basis van cessie van die vordering van Holding aan hem, moet worden afgewezen.
Met de grieven 1 en 2 is appellant opgekomen tegen achtereenvolgens de met (i.) en (ii.) aangeduide oordelen van de rechtbank.

Het hof:

Het hof stelt voorop dat appellant uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij geen schade vordert die verband houdt met de waardevermindering van zijn aandelen.
Voor de door appellant ‐ die als 100% DGA borgsteller voor en schuldeiser van ECE was ‐ gevorderde schade als gevolg van het feit dat ECE, door toedoen van de
Consumentenbond, zijn schulden niet meer kon voldoen, geldt in het onderhavige geval (blijkens het Tuin Beheer‐arrest (ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 , NJ 2007, 256
)) de regel dat: (a.) de enkele omstandigheid dat een vordering van een derde door onrechtmatig handelen van de Consumentenbond waardeloos is geworden, nog niet
met zich brengt dat laatstgenoemde onrechtmatig tegenover die derde heeft gehandeld, maar dat (b.) in het geval dat de belangen van de derde zo nauw betrokken
zijn bij het onrechtmatig handelen van de Consumentenbond dat hij daardoor schade kan lijden, de normen van hetgeen volgens het ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt kunnen meebrengen dat de Consumentenbond die belangen dient te ontzien door haar gedrag ‘mede’ door die belangen te laten
bepalen.

Ad grief (1.): de stelling van appellant, dat reeds omdat er schade is, zijn vordering toewijsbaar is, stuit af op onderdeel (a.) van de zojuist weergeven regel uit het
Tuin Beheer‐arrest. Van schending van de in onderdeel (b.) genoemde zorgvuldigheidsnorm kan slechts sprake zijn indien de Consumentenbond het belang van
appellant kende of had behoren te kennen (vgl. HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1460 , ‘Staat/Shell’, NJ 1996, 196 ). Appellant heeft onvoldoende
onderbouwd gesteld dat de Consumentenbond wist of had moeten weten dat appellant zich in privé borg had gesteld voor de schulden van ECE en/of schuldeiser was
van ECE. Grief 1 faalt;

Ad grief (2.): de stelling dat Holding ‐ die geen eisende partij is in deze procedure ‐ haar vordering op de Consumentenbond aan appellant heeft gecedeerd, wordt als
onbewezen gepasseerd. Bovendien is het hiervoor overwogene hier van overeenkomstige toepassing, zodat niet kan worden aangenomen dat Holding een vordering op
de Consumentenbond heeft. Ook grief 2 faalt.

Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Lees hier het hele artikel van 23 februari 2017 in Wolters Kluwer SmartNewz.

Dirk de Jong ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar