Accountantstuchtrecht: Oud‐partner advocatenkantoor klaagt tevergeefs accountant aan

Samenvatting:

Er wordt een klacht ingediend tegen twee accountants die zijn verbonden aan hetzelfde accountantskantoor. Klaagster betreft een advocaat die een geschil heeft met
de voormalige medepartners van een advocatenkantoor. Klaagster en haar voormalig partners zijn per 1 januari 2015 uit elkaar gegaan. Op 2 juli 2015 is de
jaarrekening 2014 voorzien van een samenstelverklaring. Uit de jaarrekening blijkt een negatief eigen vermogen waarvan per 31 december 2014 een bedrag van circa
€ 50.000,‐ ten nadele van klaagster komt. De voormalige partners wensen dat klaagster dit bedrag aan het advocatenkantoor voldoet. Klaagster heeft met haar
huidige boekhoudster de onderliggende financiële administratie van het advocatenkantoor ingezien. In oktober 2015 zijn vragen aan het advocatenkantoor gesteld
over de jaarstukken. De antwoorden blijven uit, reden waarom klaagster zich tot de accountants wendt met 22 vragen die binnen één week moeten worden
beantwoord, bij gebreke waarvan wordt gedreigd met het indienen van een tuchtklacht. Binnen de termijn antwoorden de accountants dat de vragen niet konden
worden beantwoord met een beroep op geheimhouding jegens het advocatenkantoor. Nog dezelfde dag wordt er een klacht ingediend. De klacht behelst dat:

1.) De accountants hebben op verzoek dan wel eigener beweging de jaarrekening
over 2014 opgesteld met als enig doel klaagster te bewegen meer te betalen dan waarop het advocatenkantoor recht heeft;

2.) Klaagster heeft geen inzage gehad in de stukken die ten grondslag liggen aan de jaarrekening noch heeft zij een concept ontvangen dan wel daarover vragen
kunnen stellen;

3.) de accountants hebben relatie met het advocatenkantoor niet beëindigd, terwijl zij
zich hebben laten beïnvloeden door het advocatenkantoor, wellicht mede vanwege een persoonlijke vriendschap tussen de accountants en één van de partners
waardoor van enige objectiviteit en onpartijdigheid derhalve geen enkele sprake lijkt te zijn.

De Accountantskamer:

Ad.1.) De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt
dat de behandeld accountant (tegen de accountant die er niet meer bij betrokken was wordt klaagster niet ontvankelijk verklaard) op verzoek dan wel eigener
beweging de jaarrekening over 2014 heeft samengesteld met als enig doel klaagster te bewegen meer te betalen dan waarop het advocatenkantoor recht heeft.

Ad.2.) Tijdens de zitting zijn door de accountant ‐voor zover mogelijk ivm het beroepsgeheim‐ vragen over posten in de jaarrekening 2014 beantwoord. Die
antwoorden leveren geen grond op om te oordelen dat de accountant in strijd met de eisen die voortvloeien uit het fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en
zorgvuldigheid heeft gehandeld. De Accountantskamer begrijpt dat de accountant zich op het standpunt stelt dat hij (zonder toestemming) niet gehouden is tot
beantwoording van de (22) vragen en dat hij ook niet verplicht was omdat klaagster geen partner (meer) was van. Klaagster doet haar andersluidende standpunt
steunen op de omstandigheid dat zij in 2014 nog partner was. Zij heeft echter niet toegelicht wat de (Britse) rechtsvorm “LLP” in het onderhavige geval precies
inhoudt en ook niet gesteld dat uit die rechtsvorm en/of het contract met haar voormalige partners voortvloeit dat zij als voormalig partner van LLP aanspraak zou
kunnen maken op inzage in de conceptjaarrekening en op beantwoording van de 22 vragen die zij in 2016 aan (het kantoor van) de accountant heeft voorgelegd.

Ad3.) Klaagster is niet ingegaan op de betwisting van een persoonlijke vriendschap tussen bij “het dossier 2014” betrokken medewerkers van het kantoor van
betrokkenen en één van de partners. De Accountantskamer ziet daarom (en ook voor het overige) geen reden om van de accountant te verlangen dat hij de relatie
met het advocatenkantoor beëindigt. De klacht tegen de accountant is gezien het vorenstaande eveneens ongegrond te achten.
Op grond van al het hiervoor overwogene moet de klacht tegen beide betrokkenen in alle onderdelen ongegrond worden verklaard.

Klik hier voor de gehele publicatie van 14 juli 2016 in Wolters Kluwer SmartNewz.

Pim van de Goor ‐ Holla Advocaten

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar