Wonen bij je (groot)ouders; een duurzame gemeenschappelijke huishouding?

Het overlijden van de huurder

Dit artikel is geactualiseerd in september 2018.

Bij het overlijden van de huurder eindigt de huurovereenkomst voor woonruimte niet van rechtswege. Als sprake is van medehuurderschap, dan zet de medehuurder de huurovereenkomst als huurder voort. Van medehuurderschap is sprake als een persoon in een eerder stadium daartoe een verzoek heeft ingediend bij de verhuurder, en de verhuurder heeft hiermee ingestemd. Tevens wordt de echtgenoot of de geregistreerd partner van rechtswege medehuurder. Is geen sprake van medehuurderschap, maar iemand heeft wel zijn hoofdverblijf in het gehuurde, dan kan deze persoon de huur voortzetten gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Deze persoon kan binnen dezelfde termijn een verzoek tot het voorzetten van de huurovereenkomst indienen bij de verhuurder.

Praktijkvoorbeeld woningcorporaties
In de huurpraktijk van de woningcorporaties komt het voor dat een meerderjarig kind die samen heeft geleefd met zijn onlangs overleden ouder(s) bij de verhuurder een verzoek tot voorzetten van de huurovereenkomst indient. Als de verhuurder dit verzoek weigert, dan dient het kind binnen de termijn van zes maanden (fatale termijn) een vordering bij de rechter in te stellen tot het voorzetten van de huurovereenkomst. Het kind moet dan aannemelijk maken dat het gehuurde zijn hoofdverblijf betreft en dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen hem en zijn overleden ouder(s).

Gezamenlijke huishouding
Bij de beoordeling of er sprake was van een duurzame gezamenlijke huishouding moeten, blijkens de rechtspraak, alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Aandachtspunten zijn bijvoorbeeld:
–              het feitelijk gebruik van (onderdelen van) het gehuurde;
–              of zij de huisvestingskosten en/of de kosten van levensonderhoud deelden;
–              of zij gezamenlijk huishoudelijke taken verrichtten;
–              of zij gezamenlijk de maaltijden gebruikten en
–              in hoeverre zij gezamenlijk hun vrije tijd doorbrachten en deelnamen aan het sociaal verkeer.

De enkele omstandigheid dat een kind na zijn meerderjarig worden nog bij zijn ouder(s) in een gemeenschappelijke huishouding blijft wonen, brengt niet mee dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Zo oordeelde de Hoge Raad in 2014[1] dat in dergelijke situaties in de regel sprake is van een aflopende samenlevingssituatie. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. In die zaak werden de huurpenningen niet door het kind betaald. Mede op basis van deze omstandigheden is geconcludeerd dat in dit opzicht sprake van een gebrek aan wederkerigheid, omdat het kind zich door zijn moeder liet verzorgen. Het kind had als omstandigheden aangevoerd dat hij na zijn meerderjarig worden nog 38 jaar in zijn ouderlijk huis is blijven wonen, dat hij klusjes deed, met zijn moeder dingen ondernam en ook voor zijn moeder zorgde toen zij verder achteruitging. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden geen doorslaggevende betekenis hebben.

Ook het enkele feit dat er sprake is van intensieve verzorging is – zonder bijkomende omstandigheden die daartoe nopen – onvoldoende voor het aannemen van een duurzame gezamenlijke huishouding, zo oordeelde Hof Amsterdam in 2017[2]. In die zaak hadden hoofdhuurster, oma, en de beoogde medehuurster, kleindochter, de gemeenschappelijkheid van het huishouden onvoldoende onderbouwd. Het enkele bestaan van een zogenoemde ‘en/of’-rekening is onvoldoende. Kleindochter en oma hadden geen overzicht overgelegd waaruit op contoleerbare wijze hun gezamenlijke uitgaven en inkomsten blijkt en waarmee een totaaloverzicht van hun financiële verwevenheid had kunnen worden geschetst. Het hof vond het van belang dat kleindochter vanaf 2010, toen zij achttien jaar was geworden, bij oma in de woning was gaan wonen. Die duur van de samenwoning wordt – met het oog op de vraag in hoeverre dit feit kan bijdragen aan de conclusie dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen hen bestaat – niet alleen gerelativeerd door het feit dat de verzorging van oma is geïntensiveerd, maar ook door andere omstandigheden. Gezien die omstandigheden (onder andere het feit dat de kleindochter een studente is die en kamer heeft bij haar oma en dat zij ingeschreven is bij Woningnet en meerdere malen heeft gereageerd op een woningaanbod) is de leefsituatie vergelijkbaar met die van bij hun ouders inwonende volwassen kinderen. Een dergelijke samenlevingsvorm is niet gericht op duurzaamheid, aangezien zij van aflopende aard is. Ten slotte merkte het hof op dat in de relatie tussen de kleindochter en oma geen sprake is van wederkerigheid in het samenleven, omdat oma in hoofdzaak door haar kleindochter wordt verzorgd. Het hof oordeelde dat tussen kleindochter en oma geen duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond.

Conclusie en aanbevelingen
Uit genoemde arresten blijkt dat de lat om aan te nemen dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen een kind en zijn overleden (groot)ouder(s) hoog is. Wanneer een kind niet financieel aan het huishouden bijdraagt levert dat een belangrijke contra-indicatie op.
Als verhuurder kunt u bij nabestaanden, omwonenden, thuiszorg of andere partijen na vragen hoe de verhouding tussen de samenwonende ouder(s) en het kind is geweest, en op welke manier het kind heeft bijgedragen aan het huishouden. Aan de hand van verklaringen en andere bescheiden kunt u als verhuurder een dossier opbouwen. In een gerechtelijke procedure bent u dan als verhuurder goed voorbereid, en kunt u (tegen)bewijs aanleveren.

 

Peter de Bruijn

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar