Hoe kom ik aan geheime documenten? Over de verhouding tussen de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en artikel 843a Rv

In mijn eerste artikel over de verhouding tussen de Wob en artikel 843a Rv gaf ik aan dat een Wob-verzoek dienstig kan zijn aan een later in te stellen incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv. Daarbij is het zo dat een beroep op artikel 843a Rv kan slagen ondanks een eerdere weigering tot openbaarmaking van de documenten in het kader van de Wob.

In dit artikel zal ik ingaan op de vraag of een Wob-verzoek kan worden afgewezen indien het betreffende bestuursorgaan van oordeel is dan wel het vermoeden heeft dat de Wob wordt gebruikt voor het verzamelen van bewijs voor een civiele procedure.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich over deze vraag op 25 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3635) uitgelaten. De gemeente betoogde dat het verzoek niet als Wob-verzoek kon worden aangemerkt omdat zij uit het verzoek (zeer gedetailleerd) afleidde dat bewijs werd verzameld voor een civiele procedure. De Afdeling volgde dit standpunt van de gemeente niet en overwoog:

“Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft betrekking op de kennisneming van gedingstukken door belanghebbenden in een civiele procedure. Anders dan de Wob, regelt dit artikel niet de publieke toegang tot informatie en bevat dit artikel evenmin een uitputtende openbaarmakingsregeling. Nu [appellante sub 1] het college in de brief van 12 juli 2013 op grond van de Wob heeft verzocht haar de verzochte documenten te verstrekken en bovendien ter zitting bij de Afdeling te kennen heeft gegeven dat openbaarmaking voor een ieder is beoogd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het verzoek moet worden aangemerkt als een op de Wob gebaseerde aanvraag.”

De Afdeling heeft derhalve geoordeeld dat artikel 843a Rv niet de publieke toegang tot informatie regelt en evenmin een uitputtende openbaarmakingsregeling bevat. Het verzoek en de toelichting van de verzoeker is volgens de Afdeling van belang voor beantwoording van de vraag of een verzoek moet worden aangemerkt als een op de Wob gebaseerde aanvraag. Wanneer in het verzoek expliciet wordt vermeld dat wordt verzocht om openbaarmaking op grond van de Wob, dan dient het verzoek volgens de Afdeling aangemerkt te worden als een Wob-verzoek. De Afdeling voegt daar aan toe:

“en bovendien te kennen heeft gegeven dat openbaarmaking voor een ieder is beoogd”.

De toevoeging “bovendien” geeft aan dat de Afdeling het oogmerk van het verzoek als extra argument beschouwt voor het oordeel dat er sprake is van een Wob-verzoek.

De conclusie is dat Wob-verzoeken niet kunnen worden afgewezen wanneer:

  • in het verzoek is aangegeven dat deze is gebaseerd op de Wob;
  • in het verzoek of later (bijvoorbeeld ter zitting) wordt aangegeven dat openbaarmaking voor een ieder is beoogd. Verzoekers doen er verstandig aan om reeds in het verzoek aan te geven dat openbaarmaking voor een ieder is beoogd.

Jack van Beers

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar