Wijzigingen Wet BIG II

Belangrijkste wijzigingen Wet BIG op een rij!

Op 10 juli 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (‘Wet BIG’). Op 24 augustus 2018 zijn de wijzigingen gepubliceerd en op 1 april jl. traden zij in werking. Als gevolg van de wetswijziging wordt het medisch tuchtrecht ingrijpend gewijzigd.[1] Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de wijzigingen.

De reikwijdte van de Wet BIG

Met de wijziging van artikel 1 Wet BIG vallen niet alleen behandelingen met een geneeskundig doel onder de Wet BIG, maar ook (be)handelingen met en cosmetisch oogmerk. Bepaalde cosmetische behandelingen zullen daarom doorgaans alleen door daartoe bevoegde en bekwame artsen mogen worden uitgevoerd, voor zo ver het voorbehouden handelingen in de zin van artikel 36 Wet BIG betreft. Te denken valt aan het geven van botoxinjecties of injecties met fillers. Beroepsbeoefenaren die niet op grond van de Wet BIG bevoegd zijn, mogen de betreffende handelingen niet langer uitvoeren.[2] Naast dat een (door de Wet BIG aangewezen) beroepsbeoefenaar bevoegd moet zijn tot het uitvoeren van een voorbehouden handeling, dient hij daartoe ook bekwaam te zijn (artikel 36 lid 15 Wet BIG). De bevoegdheid en de aanwezigheid van (voldoende) bekwaamheid van een beroepsbeoefenaar kan tuchtrechtelijk worden getoetst.

De reikwijdte van de tweede tuchtnorm

De tuchtcolleges – de vijf Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg (‘RTG’), en in beroep het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (‘CTG’) – toetsen klachten aan twee ‘tuchtnormen’. Deze tuchtnormen zijn geformuleerd zijn in artikel 47 van de Wet BIG.

De eerste tuchtnorm heeft betrekking op enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van de individuele patiënt en zijn naaste betrekkingen. De tweede tuchtnorm ziet op het algemeen maatschappelijk belang en heeft betrekking op het handelen of nalaten in de hoedanigheid van hulpverlener dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.[3] Door de wijziging van de Wet BIG wordt de tweede tuchtnorm aangepast. Het toepassingsbereik van het medisch tuchtrecht wordt daarmee verruimd. Een beroepsoefenaar handelt in strijd met de voorgestelde tweede tuchtnorm als hij zich niet gedraagt zoals een goed beroepsoefenaar betaamt. Het gevolg van de aanpassing is dat ook gedragingen in de privésfeer onder de tweede tuchtnorm vallen indien er tussen die gedragingen en de beroepsuitoefening voldoende verband bestaat en zij in het licht van de beroepsuitoefening ongeoorloofd moeten worden geacht. Dit was al zo ingevolge de jurisprudentie maar nu blijkt dit ook uit de wet.  De wet lijkt zelfs verder te gaan.

De tuchtklachtfunctionaris

De wijzigingen van de Wet BIG dienen onder meer te zorgen voor een snellere afhandeling en verbeterde toegang tot het tuchtrecht. Een van de wijzigingen in dat verband is dat een tuchtklachtfunctionaris wordt aangesteld die de klager helpt met het formuleren van de klacht en adviseert waar nodig om te voorkomen dat te lichtvaardige klachten bij het tuchtcollege worden ingediend, volgens artikel 55a Wet BIG.

Invoering griffierecht en proceskostenveroordeling

Een klager dient op grond van artikel 65a Wet BIG (nieuw) voor het indienen van een tuchtklacht een griffierecht van € 50,- te betalen. Bij het niet betalen van het griffierecht, kan de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard en wordt het klaagschrift niet doorgestuurd. Het doel van dit griffierecht is de klager een afweging te laten maken of hij gebruik wil maken van het tuchtrecht.[4] Bij een geheel of gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht, wordt het griffierecht aan de klager terugbetaald en kan het tuchtcollege de aangeklaagde veroordelen in de kosten die de klager redelijkerwijs heeft moeten maken, zo volgt uit het nieuwe artikel 69 lid 5 Wet BIG.

Aanpassing van de maatregelen

Het berechtende tuchtcollege kan bij een gegrond bevonden klacht de beroepsoefenaar een waarschuwing, berisping, geldboete ten hoogste € 4.500,-, een schorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen van ten hoogste één jaar, gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen of doorhaling van de inschrijving in het register, aldus artikel 48, eerste lid, Wet BIG. Met de wijziging van de Wet BIG wordt de maatregel tot het opleggen van een binding aan bijzondere voorwaarden om het beroep uit te oefenen waarvoor de beroepsbeoefenaar is ingeschreven, toegevoegd. De maatregel van schorsing wordt gewijzigd in die zin dat het gaat om een schorsing van de bevoegdheid de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor ten hoogste één jaar. De geschorste beroepsbeoefenaar ondervindt dezelfde beperkingen als onder het nu nog geldende recht, maar blijft onderworpen aan de Wet BIG. Een beroepsbeoefenaar kan tuchtrechtelijk aangesproken worden voor handelingen die tijdens de schorsing zijn begaan. Daarnaast krijgt de tuchtrechter de mogelijkheid om bij de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register aan de beroepsbeoefenaar beperkingen op te leggen met betrekking tot het beroepsmatig handelen, mochten de gedragingen van de beroepsbeoefenaar een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van personen. Vanuit het oogpunt van patiëntveiligheid kan de disfunctionerende zorgverlener niet alleen in de uitoefening van het BIG-beroep beperkt worden, maar ook in de uitoefening van andere beroepen waarbij hij patiënten behandelt, volgens het nieuwe artikel 48, tweede lid, Wet BIG.[5]

Voorzittersbeslissingen

Na sluiting van het vooronderzoek valt de beslissing of de zaak in de raadkamer wordt behandeld of op een openbare terechtzitting. Indien de klacht afkomstig is van een tot klagen niet bevoegde, het klaagschrift niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen, de klacht kennelijk ongegrond is of dat de klacht van onvoldoende gewicht is, dan kan het op voorstel van degene die het vooronderzoek heeft verricht een eindbeslissing geven. Met de wijziging van de Wet BIG wordt in het nieuwe artikel 67a Wet BIG bepaald dat door het RTG of de voorzitter, door middel van een ‘voorzittersbeslissing’, kan worden geoordeeld dat het college kennelijk onbevoegd is, de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is, de klacht kennelijk ongegrond is of de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Berispingen en boetes

Van het opleggen van een maatregel wordt een aantekening gemaakt in het BIG-register. Na de wetswijziging worden deze berispingen en boetes openbaar gemaakt indien de tuchtrechter van mening is dat dit in het belang is van de individuele gezondheidszorg. Daarnaast wordt in het register een aantekening geplaatst van een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing die een beperking van de bevoegdheid inhoudt.

Meer weten over de wijzigingen van de Wet BIG? Hier leest u onze Whitepaper over Tuchtrecht, geschreven door medewerker van het Wetenschappelijk Bureau Rolinka Wijne.

Nu (ook) alvast meer weten? Bijvoorbeeld over cosmetische behandelingen in relatie tot de gewijzigde Wet BIG? Klik hier voor het Commentaar van Jacqueline de Vries, of neem direct contact met haar op.

 

[1] Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de verbeteringen die worden doorgevoerd in het tuchtrecht alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de wet, Stb. 2018, 260.

[2] Kamerstukken ΙΙ 2016/2017, 34 629, nr. 3, p. 14 (MvT).

[3] Kamerstukken ΙΙ 1985/86, 19522, nr. 3, p. 75 (MvT).

[4] Kamerstukken Ι 2017/2018, 34 629, C, p. 6-7 (MvA).

[5] Kamerstukken ΙΙ 2016/2017, 34 629, nr. 3, p. 8 (MvT).

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar