Tarieven warmtewet

Warmtewet: een zoektocht naar redelijke tarieven

De Warmtewet is sinds 1 januari 2014 het kader voor de levering van warmte. De Warmtewet is daarbij onderhevig aan vele aanpassingen. De reeds veertien doorgevoerde wijzigingen getuige hiervan. Eén belangrijk onderdeel van de warmtewet is telkens onderdeel van discussie: de warmtetarifering.

Een belangrijk uitgangspunt van de warmtewet is de maximumprijs voor warmte, die is gebaseerd op de gasprijs, de gasreferentie. De gedachte achter de gasreferentie is het zogeheten ‘niet meer dan anders’-beginsel (“NMDA”). Een kleinverbruiker, zoals een consument, zou niet meer moeten betalen voor de levering van warmte dan wanneer hij door middel van gas zou voorzien in zijn warmtebehoefte.[1] Dit is enerzijds ter bescherming van die kleinverbruiker, die veelal afhankelijk is van één warmteleverancier, en anderzijds zodat de overstap naar duurzame warmtelevering ook economisch haalbaar is.

De maximumprijs voor warmte op basis van de gasreferentie staat echter onder druk. Minister Wiebes is al langere tijd op zoek naar een alternatief voor de tariefregulering in de Warmtewet, omdat volgens hem de huidige tariefsystematiek op de lange termijn niet houdbaar is. De gasreferentie houdt steeds minder verband met de onderliggende kosten voor de levering van warmte naarmate andere duurzame energiebronnen het reguliere gas zullen vervangen.[2] Geen onlogische redenering kijkend naar alle nieuwe duurzame manieren voor het verwarmen van een woning, zoals waterstof, geothermie en aquathermie. Warmtebronnen die weinig tot geen relatie hebben tot de kosten voor levering van regulier gas. De vraag is echter hoe een redelijke prijs voor warmte dan wél moet worden berekend.

Onderzoeken naar alternatieven

De minister heeft voor de nieuwe tariefsystematiek een aantal onderzoeken laten verrichten. Uit het advies van Oxera volgen drie opties voor een geschikt alternatief voor de gasreferentie[3]:

  1. een kostengebaseerde nationale referentieprijs die periodiek wordt gecorrigeerd;
  2. maatstafregulering op basis van een benchmark. Maximumtarieven worden voor vergelijkbare warmtesystemen gebaseerd op basis van een analyse van de werkelijke kosten voor die categorie warmtesystemen;
  3. netwerkspecifieke regulering. Deze vormt een verdere detaillering van optie 2. Hierbij worden maximumprijzen vastgesteld op basis van maatstafconcurrentie.

Naast de drie voorgaande opties hebben vijf warmtebedrijven een vierde optie aangedragen[4]:

  1. kosten gebaseerde rendementsregulering.

De vierde optie heeft de minister laten reviewen door onderzoeksbureau SiRM.[5] Volgens SiRM is in het voorstel van de warmtebedrijven de verhouding tussen prikkels op efficiënte en investeringen niet in balans. Een onderneming wordt beloond voor álle investeringen die hij doet, doordat voor elke geïnvesteerde euro een redelijk rendement kan worden verrekend. Of alle investeringen ook zorgen voor een efficiënter warmtenet is echter te betwijfelen.

De warmtebedrijven benoemen zelf ook dit risico in hun position paper, met de pakkende term ‘gold plating’, maar volgens hen is dit risico zeer klein gezien de bestaande innovatie en concurrentie.[6] Ook het in de toekomst aanwijzen van een warmtebedrijf voor een warmtekavel geeft gemeentes een adequaat middel te kiezen voor een warmtebedrijf die zo efficiënt mogelijk warmte kan leveren. Met andere woorden, een warmtebedrijf zou zich niet durven branden aan een dergelijk verdienmodel.

Gedeelde noemer

Wat ons opvalt is dat een gedeelde noemer van de alternatieven het uitgaan van een gemiddelde of benchmark is. Maar is het voor de levering van warmte wel fair om uit te gaan van een gemiddelde? En zo ja, hoeveel gemiddelden zijn uiteindelijk nodig om te voorkomen dat appels met peren worden vergeleken. Warmtenetten verschillen immers in omvang, waarbij ook nog eens de wijze waarop de warmte wordt geproduceerd verschilt.

Wat dit alles complexer maakt is de wijkgerichte aanpak voor de transformatie naar een gasloze bebouwde omgeving, waarbij een gemeente voor elke wijk een plan zal moeten ontwikkelen voor de warmtelevering. De wijze waarop warmte wordt geleverd kan elke vorm zijn. De kosten van verschillende warmtenetten zijn daardoor moeilijk te vergelijken en zijn sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. In die zin valt er wel iets te zeggen voor het alternatief van de vijf warmtebedrijven, waar op basis van transparantie voor elke geïnvesteerde euro een redelijk rendement mag worden gerekend, al zien ook wij de prikkels voor gold plating. Kortom, genoeg redenen om de voortgang van de nieuwe tarifering nauwlettend in de gaten te houden.

Vervolg

Minister Wiebes is op dit moment bezig de alternatieve tariefsystematiek uit te werken. Hij beoogt de nieuwe contouren voor de tarifering als onderdeel van de Warmtewet 2.0 op 1 januari 2022 in werking te laten treden. Voor een geleidelijke overgang zal de nieuwe tarifering eerst gepaard gaan met een uitgebreid overgangsregime. Pas voor 2030 wordt beoogt dat de definitieve tariefsystematiek wordt ingevoerd.[7] Wordt vervolgd dus.

Neem voor meer informatie contact op met Ko Hamelink.

[1] Kamerstukken II, vergaderjaar 2002/03, 29 048, nr. 3, p. 9.

[2] Kamerstukken II, vergaderjaar 2019/20, 30 196, nr. 694, p. 8-9.

[3] Oxera, ‘Alternatives to the gas reference price’, 31 januari 2020.

[4] Vattenfall, SVP, HVC, Ennatuurlijk en Eneco, ‘Kosten gebaseerde rendementsregulering: een toekomstbestendig tariefsysteem voor warmtenetten ter ondersteuning van de energietransitie’, november 2019.

[5] SiRM, ‘Review voorstel tariefregulering warmtebedrijven’, 1 februari 2020, Utrecht.

[6] Vattenfall, SVP, HVC, Ennatuurlijk en Eneco, ‘Kosten gebaseerde rendementsregulering: een toekomstbestendig tariefsysteem voor warmtenetten ter ondersteuning van de energietransitie’, november 2019, p. 9.

[7] Kamerstukken II, vergaderjaar 2019/20, 30 196, nr. 704, p. 7.

Ko Hamelink

Sector

    < Vorige

    Volgende >

    Spring naar toolbar