Vragen en antwoorden met betrekking tot het Mededingingsrecht in de Zorg

Vraag: zijn alle zorgaanbieders ondernemingen en vallen zij onder het mededingingsrecht?

Ja, zorgaanbieders verrichten economische activiteiten (bijvoorbeeld ziekenhuizen, huisartsen, fysiotherapeuten, apothekers, aanbieders van thuiszorg, jeugdzorg, verstandelijk gehandicaptenzorg, GGZ-zorg). Dat geldt ook voor zorgverzekeraars. Zorgkantoren zijn geen ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht. Daarnaast gelden er ook andere uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld gesloten jeugdzorg en BOPZ-zaken.

Vraag: zijn er afspraken die zorgaanbieders met elkaar mogen maken zonder dat de mededinging wordt beperkt?

Ja, afspraken zonder mededingingsbeperkend doel dan wel effect zijn toegestaan, zoals bijvoorbeeld protocollen, kwaliteitsstandaarden, bijscholing, kwaliteitsniveau bevorderende afspraken, stroomlijning van administratieprocessen en procedures, het delen van zorginhoudelijke benchmark informatie, het ontwikkelen van innovatieve projecten of diensten.

Vraag: welke afspraken mogen zorgaanbieders niet met elkaar maken?

Prijsafspraken, marktverdelingen, afspraken om elkaars patiënten niet over te nemen, aanbestedingsafspraken, afspraken die de innovatie, productie, capaciteit beperken, het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie.

Vraag: welke toets dient een zorgaanbieder uit te voeren om te kunnen beoordelen of een samenwerking met een andere zorgaanbieder-concurrent is toegestaan?

Een voortdurende self assessment staat voorop, de voordelen, die ten goede moeten komen aan de patiënten en de verzekerden, moeten te allen tijde opwegen tegen de nadelen bijvoorbeeld in de vorm van beperking van de mededinging. Die nadelen moeten volstrekt onmisbaar zijn, er moet voldoende restconcurrentie overblijven. Hierbij kan gekeken worden naar een aantoonbare kwaliteits- en efficiëntieverbetering, innovatie, betere coördinatie, lagere sterftecijfers, waarbij de bereikbaarheid en de betaalbaarheid voor de patiënt en de verzekerde niet in het geding komen.

Vraag: welke toets dient te worden uitgevoerd om na te gaan of een verticale samenwerking van zorgaanbieders geoorloofd is?

Ook hier staat self assessment voorop, maar een verticale samenwerking zal eerder geoorloofd zijn. Indien er sprake is van een samenhangend geheel van zorginspanningen van verschillende typen zorgaanbieders zal zulks de kwaliteit van de zorg en de bereikbaarheid voor de patiënten en de verzekerden ten goede komen, waarbij de betaalbaarheid niet in het geding is.

Vraag: hoe dient vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt te worden aangekeken tegen specialisten die voor meerdere ziekenhuizen werkzaam zijn?

Het vormen van een regiomaatschap wordt mededingingsrechtelijk gezien als een samenwerking tussen ziekenhuizen in specialismen zodat er getoetst moet worden aan het kartelverbod. Ook hier moet een kwaliteitsverbetering, een zorginhoudelijk belang, vooropstaan en mag de betaalbaarheid en bereikbaarheid van de zorg voor de patiënten en de verzekerden niet in het gedrang komen. De kwaliteitsverbetering en/of kostenvermindering moeten opwegen tegen de beperking van de mededinging.

Vraag: wanneer dienen fuserende zorginstellingen zich tot de NZa te wenden?

Zorginstellingen zijn verplicht een voornemen tot fuseren vooraf te melden bij de NZa indien ten minste een zorgaanbieder minimaal 50 personen in dienst heeft. Een fusie-effectenrapportage moet worden ingediend waaruit blijkt van betrokkenheid van de stakeholders zoals de OR en de Cliëntenraad.

Vraag: wanneer dienen fuserende zorginstellingen zich tot de ACM te wenden?

Zorginstellingen dienen het voornemen te fuseren bij de ACM te melden indien er sprake is van een gezamenlijke wereldwijde omzet van euro 55 miljoen of meer, indien de individuele omzet van tenminste twee ondernemingen in Nederland euro 10 miljoen bedraagt en indien de individuele omzet van tenminste twee ondernemingen bestaat uit meer dan euro 5,5 miljoen aan zorgverlening.

Vraag: indien de ACM van mening is dat door de fusie een machtspositie kan ontstaan, welke mogelijkheden hebben de fuserende zorginstellingen dan om toch een vergunning te verkrijgen van de ACM?

Benadrukt kan worden dat voor het behoud van zorg, het behoud van acute zorg, een fusie noodzakelijk is. Voor de ACM zijn de standpunten van IGZ, de NZa en de zorgverzekeraars van belang. De zorgverzekeraars kunnen aangeven of zij voldoende mogelijkheden hebben om de fuserende zorginstellingen te disciplineren. Zogenaamde voorwaarden/remedies kunnen worden aangeboden: het hanteren van een prijsplafond, het bereiken van kwaliteitsverbetering binnen bepaalde termijnen, het toetreden tot de markt van een derde zorgaanbieder faciliteren, het afstoten van een bepaald onderdeel, het openhouden van een locatie.

Vraag: is het minder problematisch voor zorginstellingen om samen te werken dan te fuseren?

Neen, het is in de praktijk eenvoudiger om te fuseren dan om samen te werken. Bij samenwerken staat een voortdurende self assessment voorop, bij fuseren bestaat een toetsing vooraf door de ACM en bestaat meer duidelijkheid. Echter, de ACM heeft voor het eerst geweigerd een vergunning te verlenen aan een fusie tussen twee ziekenhuizen in 2015.

Vraag: is het voldoende indien in het kader van de self assessment bij een samenwerking tussen zorgaanbieders voordelen worden genoemd?

Neen, deze voordelen moeten concreet zijn en alleen kunnen worden bereikt door middel van de samenwerking. De voordelen moeten gedocumenteerd en onderbouwd worden door middel van rapportages. De bewijsmaterialen moeten juist, betrouwbaar, samenhangend en concreet zijn.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar