Baanbrekende uitspraak over de verjaring van asbestclaims

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft een baanbrekende uitspraak gedaan over de verjaring van asbestclaims.

De zaak was de volgende. Hans Moor, was in dienst was bij een machinefabriek Oerlikon (tegenwoordig: Alstom). In de periode 1965-1978 is hij tijdens zijn werkzaamheden blootgesteld aan asbest. In mei 2004 werd bij hem mesothelioom vastgesteld. Op 10 november 2005 is hij op 58-jarige leeftijd overleden. Kort voor zijn overlijden heeft hij zijn werkgever Alstom gedagvaard, stellende dat Alstrom aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt, omdat zijn werkgever heeft verzuimd hem de noodzakelijke bescherming te bieden. Zijn kinderen hebben deze procedure voortgezet. De weduwe, mevrouw Howald Moor, heeft het uitvoeringsorgaan voor sociale zekerheid Caisse nationale suisse d’assurance en cas d’accidents, in rechte aangesproken. Tot in hoogste instantie worden de vorderingen afgewezen, omdat de Zwitserse wettelijke verjaringstermijn van tien jaar was verstreken.

Howald Moor en haar dochters stellen in de procedure dat sprake is van schending van hun recht op toegang tot de rechter.

Het Europese Hof oordeelt: voorop moet worden gesteld dat de verjaringstermijn een legitiem doel dient, namelijk rechtszekerheid. In het onderhavige geval staat evenwel vast dat de ziekte (mesothelioom) pas vele jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis gediagnostiseerd kan worden en de gelaedeerde derhalve gedurende de verjaringstermijn niet kon weten dat hij aan de ziekte leed, en dus niet op tijd kon zijn. Het strikt toepassen van de verjaringstermijn ontneemt benadeelden in dat geval de mogelijkheid om een schadevergoedingsvordering aan de rechter voor te leggen. Art. 6 EVRM is hiermee geschonden.

In de Nederlandse rechtspraktijk gold tot de invoering van art. 3:310 lid 5 BW (verjaring bij letsel of overlijden begint pas te lopen nadat de schade bekend is) dat vorderingen die zijn geënt op aansprakelijkheid voor mesothelioom verjaarden na 30 jaar, tenzij op grond van in de rechtspraak ontwikkelde criteria kon worden geoordeeld dat een beroep op die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar werd geacht te zijn. In dat geval kon ook na 30 jaar nog een dergelijke vordering worden ingesteld.

De onderhavige uitspraak van het Europese Hof houdt in dat het in het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) verankerde toegang tot de rechter, besloten ligt dat bij deze ziekte, die zich vaak pas openbaart als de verjaringstermijnen al verstreken zijn, geschonden is bij een verjaringstermijn van 10 jaar. Of die uitspraak ook met zich mee brengt dat de termijn van 30 jaar die wij in Nederland hanteren voor zaken van vóór februari 2004, die toegang tot de rechter verhindert, is daarmee niet gezegd. Het zal ervan afhangen of de ziekte mesothelioom gewoonlijk zich wel binnen 30 jaar pleegt te openbaren en bovendien of de in de rechtspraak gecreëerde uitzondering de toets aan het EVRM kan doorstaan.

Maar de uitspraak opent wel de poorten naar de discussie in vergelijkbare gevallen waarin de schade naar zijn aard eerst kan worden ontdekt nadat een verjaringstermijn al is verstreken. In die gevallen kan met een beroep op deze uitspraak betoogd worden dat de verjaringstermijn de toegang tot de rechter ten onrechte verhindert.

ECLI:NL:XX:2014:126, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 11‑03‑2014

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar