Toepasselijk recht bij agentuurrelaties en bescherming handelsagent

Inleiding: welk recht is toepasselijk?
Een internationale agentuurovereenkomst, waarbij de handelsagent bemiddelt voor de principaal bij het tot stand komen van koopovereenkomsten en waarvoor de agent een provisie geniet, wordt beheerst door het recht van het land waarin de agent gevestigd is. Partijen mogen in de overeenkomst een keuze uitbrengen voor een ander toepasselijk recht.

Europese Richtlijn en harmonisatie:
Binnen de Europese Unie is het agentuurrecht geharmoniseerd door een Europese Richtlijn die in het nationale recht van de Lidstaten is omgezet. De Lidstaten hebben de mogelijkheid om meer bescherming te bieden aan de handelsagent dan het minimum niveau als voorgeschreven in de Richtlijn. De Richtlijn voorziet in een beëindigingsvergoeding voor de agent bij het einde van de agentuurovereenkomst. Voor de agent bestond er in bepaalde Lidstaten -zoals het Verenigd Koninkrijk – voor deze Richtlijn amper rechtsbescherming.

Twee vragen:
Twee vragen die in internationaal verband speelden zijn inmiddels in de rechtspraak beantwoord.

Vraag 1:
De eerste vraag luidt of een in de EU werkzame agent zich op de Richtlijnbepalingen kon beroepen en aanspraak kon maken op een beëindigingsvergoeding nu partijen in de overeenkomst hadden opgenomen dat de overeenkomst werd beheerst door het recht van het land van vestiging van de principaal, Amerikaans recht. Het Europese Hof van Justitie oordeelde dat het recht van de handelsagent op de beëindigingsvergoeding dwingendrechtelijk van aard is en moet worden toegepast in alle gevallen waarin de agent zijn activiteiten uitoefent op het grondgebied van de EU, ongeacht het recht dat van toepassing is op de overeenkomst. Een rechtskeuze voor Amerikaans recht kan dan ook niet beletten dat de agent een succesvol beroep doet op de bescherming van de Europese Richtlijn en aanspraak maakt op de beëindigingsvergoeding, welke aanspraak naar Amerikaans recht niet zou bestaan.

Vraag 2:
De tweede vraag is beantwoord in de UNAMAR zaak door het Europese Hof van Justitie op 17 oktober 2013. Vraag is of in weerwil van het door partijen gekozen recht, zijnde het recht van een EU-Lidstaat, gevolg kan worden gegeven aan een wetsbepaling van een andere EU-Lidstaat die beoogt het belang van de handelsagent verdergaand te beschermen dan het gekozen recht.

De overeenkomst tussen de principaal te Bulgarije en de agent te België werd conform een in de agentuurovereenkomst uitgebrachte rechtskeuze beheerst door Bulgaars recht. De agent maakt bij de Belgische rechtbank aanspraak op onder andere een beëindigingsvergoeding. In de agentuurovereenkomst is echter geschillenbeslechting door middel van arbitrage te Bulgarije overeengekomen. De Belgische agent doet een beroep op artikel 27 van de Belgische Wet betreffende de Handelsagentuurovereenkomst die bepaalt dat onverminderd de toepassing van internationale verdragen die België heeft gesloten elke activiteit van de handelsagent met hoofdvestiging in België onderworpen is aan de Belgische wet en tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken behoort. Bulgaars recht biedt de agent de minimum bescherming van de Richtlijn, Belgisch recht biedt de agent een verdergaande bescherming.

Antwoord:
Het Europese Hof heeft geoordeeld dat het gekozen Bulgaarse recht uitsluitend opzij mag worden geschoven door bepalingen uit het Belgisch recht indien er sprake van is dat de aangezochte rechter omstandig vaststelt dat de Belgische wetgever het bij omzetting van de Europese Richtlijn van fundamenteel belang heeft geacht om de handelsagent een ruimere bescherming te bieden dan de bescherming als voorzien door de Richtlijn. Gelet op de harmonisering die via de Europese Richtlijn heeft plaatsgevonden ligt het niet voor de hand dat er door de agent succesvol een beroep kan worden gedaan op de verdergaande bescherming van het Belgische recht, tenzij vastgesteld kan worden dat de Belgische wetgever bij het omzetten van de Richtlijn de mening was toegedaan dat het bieden van een hogere bescherming een fundamenteel Belgisch nationaal belang diende.

Consequentie:
De laatste uitspraak betekent dat indien u als Nederlandse principaal een Belgische agent heeft aangesteld en een rechtskeuze heeft uitgebracht voor Nederlands recht u de verdergaande bescherming van de agent onder Belgisch recht niet tegen u behoeft te laten gelden, tenzij door de Belgische rechter wordt uitgesproken dat de hogere bescherming van de Belgische agent een fundamenteel nationaal belang dient, hetgeen geenszins voor de hand ligt. Meer in het algemeen geldt dat een agentuurovereenkomst, indien een agent is aangesteld in een EU-land en een keuze is uitgebracht voor het recht van een EU-land, in principe uitsluitend door dat recht wordt beheerst.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Ferry Weelen, 040 23 80 672.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar