Strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid corona

De strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid bij coronabesmettingen

Corona houdt de wereld in zijn greep. Wereldwijd zijn miljoenen mensen besmet, honderdduizenden mensen opgenomen in het ziekenhuis en het aantal doden stijgt wereldwijd al boven 100.000. Het einde van deze gezondheidscrisis (en naar wij vrezen: ook economische crisis) is nog niet in zicht. Alle landen nemen ingrijpende maatregelen, zelfs tot een volledige ‘lock down’. Andere landen, zoals Nederland, kiezen voor een zogeheten ‘intelligente lock down’. Later zal moeten blijken welke keuze het meest verstandig is geweest, maar het is goed dat de regering heeft gekozen voor maatregelen waarvoor draagvlak bestaat. Immers, zonder maatschappelijk draagvlak bestaat in een ‘trotse democratie’ onvoldoende kans op naleving.

Wat nu als iemand die weet dat hij besmet is, zich niet aan de voorschriften houdt en ook niet aan de noodverordening? Is hij dan strafbaar en civielrechtelijk aansprakelijk? Die vragen zijn het onderwerp van dit artikel.

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

Het is goed om te weten, dat er niet één maar 25 noodverordeningen zijn: elke veiligheidsregio kent een eigen noodverordening, die is gebaseerd op de landelijke modelverordening. De verschillende noodverordeningen komen overigens wel op de meeste punten met elkaar overeen, maar kennen niettemin ook relevante verschillen. Houd daar dus bij het betreden van het ‘territorium’ van een andere veiligheidsregio rekening mee. Op overtreding van een noodverordening staat via het wetboek van strafrecht een hechtenisstraf van 3 maanden of een boete van € 4350,-. Overtreding van een noodverordening leidt bovendien tot een strafblad.
Daarnaast bestaat sinds kort het verschijnsel van de ‘corona-hoesters/-spugers’ die veelal politiemensen en hulpverleners (proberen te) intimideren door in hun richting te hoesten of te spugen en daarbij te roepen dat zij corona hebben. Dit gedrag is strafbaar als bedreiging en wordt – zo wijzen recente uitspraken uit – bestraft met enkele weken gevangenisstraf. In een enkel geval is het spugen c.q. hoesten ook als mishandeling gekwalificeerd. Dat laatste (mishandeling) lijkt in een dergelijk geval minder juist in het licht van uitspraken van de Hoge Raad, en doet het onderscheid tussen bedreiging en mishandeling vervagen.  Het is in ieder geval goed, dat de Minister van Justitie en Veiligheid bij kamerbrief van 3 april 2020 heeft laten weten aan  spoedwetgeving te werken, waarbij deze “corona-hoesters” gedwongen aan een corona-test kunnen worden onderworpen. Op dit moment geldt een dergelijke bevoegdheid alleen in het geval dat sprake zou zin van HIV, hepatitis B of hepatitis C.  De uitbreiding naar corona zal naar onze inschatting niet van wezenlijke invloed zijn op de vraag of deze hoester/-spuger ook strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor een eventuele besmetting van het slachtoffer (deze kan de besmetting ook elders hebben opgelopen, waarover hieronder meer). Dat neemt echter niet weg, dat een dergelijke tekst vermoedelijk wel de nodige onrust bij het slachtoffer zal kunnen wegnemen. Daarin is al de meerwaarde van een dergelijke verplichte test gelegen!

Terug nu naar het onderwerp. Wat nu als iemand, die weet dat hij besmettelijk is, desondanks gewoon boodschappen gaat doen, zich niet houdt aan de ‘1,5-meter’-regel en daarbij een ander besmet? Is hij daarvoor strafbaar en is hij aansprakelijk voor de schade die de ander daardoor leidt?

Het grootste probleem ligt waarschijnlijk in de vraag naar de bewijsbaarheid dat deze besmetter ook de bron is van de besmetting bij een slachtoffer. Immers, de incubatietijd varieert en de meeste mensen hebben – hoe zeer zij ook de veiligheidsvoorschriften in acht (proberen te) nemen – ook in deze  (incubatie)dagen meerdere contacten. Het zal dan ook in de praktijk zeer lastig zijn om de besmetting van een persoon buiten twijfel terug te leiden op de besmetting door één specifieke ander. Ook het strafrecht worstelt daarmee; zo werd enkele jaren terug een HIV-besmetting bij een slachtoffer strafrechtelijk niet toegeschreven aan een gebeurtenis, waarbij deze werd gedrogeerd werd om vervolgens ingespoten te worden met HIV-besmet bloed, omdat niet kon worden uitgesloten dat het slachtoffer de HIV-besmetting ook elders kon hebben opgelopen.. Kortom: bewijstechnisch kan het achterhalen van de bron van de besmetting nog wel eens zeer lastig zijn.

Opzet of schuld?

Als eenmaal de bron is achterhaald, is van belang of die bron opzettelijk of niet opzettelijk heeft gehandeld. Het opzet staat buiten twijfel wanneer die bron naar buiten is gegaan met het vooropgezette doel anderen te besmetten. Deze persoon kan (en zal) dan afhankelijk van de gevolgen zonder meer kunnen worden vervolgd voor mishandeling, (poging) zware mishandeling of (poging) doodslag.

Hoe zit het echter met degene, die zich weliswaar bewust is van de aanmerkelijke kans op besmetting, maar toch naar buiten gaat en daarbij de aanmerkelijke kans op besmetting van anderen op de koop toeneemt? Zeg maar: een instelling van “So what; dat is dan maar zo”. In dat geval is echter niet alleen bewijs van de wetenschap op die kans bij de verdachte nodig, maar ook bewijs van het feit dat hij deze kans op besmetting bewust heeft aanvaard. Die instelling kwalificeert zich (mits bewezen) ook als opzet, te weten voorwaardelijk opzet.

Die situatie moet je echter weer onderscheiden van het geval dat iemand zich weliswaar bewust is van de aanmerkelijke kans, maar denkt dat die aanmerkelijke kans zich niet zal voordoen. Eenvoudig gezegd: iemand die denkt “Het zal wel loslopen met dat gevaar”. In dat geval is geen sprake van opzet, maar van schuld. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het geval, waarin vorig jaar het Hof Den Bosch aan het O.M. een last tot vervolging gaf terzake dood door schuld: een zorgboer met geiten liet een schoolklas op zijn boerderij komen, terwijl hij op dat moment er (kennelijk) rekening mee had moeten houden, dat onder zijn geiten sprake was van Q-koorts. Eén van de kinderen uit de schoolklas overleed.

In de praktijk zal het niet altijd eenvoudig zijn om te onderscheiden of sprake is van voorwaardelijk opzet of schuld, zeker niet als de verklaringen van de verdachte en/of getuigen niet goed duidelijk maken wat er nu precies in het hoofd van de verdachte omging. In dat geval zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden van het geval van belang. Tot slot kunnen – volgens vaste rechtspraak – bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op een gevolg, dat het (behoudens contra-indicaties) niet anders kan zijn, dan dat de verdachte dat gevolg heeft aanvaard.

In het licht van die rechtspraak lijkt dan ook – gelet op de huidige media-aandacht en de vele getroffen maatregelen – aannemelijk dat in de hier aan orde zijnde setting de kans op besmetting met corona door de besmetter bewust is aanvaard, zodat veelal sprake is van (voorwaardelijk) opzet..

Aanmerkelijke kans

Hiervoor spraken we over de aanmerkelijke kans, die op besmetting moet bestaan. Wat is die aanmerkelijke kans?
Op dit moment zijn er nog weinig betrouwbare statistische gegevens beschikbaar omtrent het aantal personen dat slechts ‘milde klachten’ heeft, het percentage besmette personen dat op de IC belandt of het percentage personen dat komt te overlijden. Veel is statistisch nog onzeker. Toch is dat voor de strafpraktijk niet zo van belang. Immers, uit de HIV-arresten van begin deze eeuw blijkt dat het bij de strafrechtelijke kansbepaling niet (enkel) draait om statistische gegevens; twee jaar terug gaf de Hoge Raad bovendien nog eens aan, dat het niet mogelijk was om de aanmerkelijke kans uit te drukken in een bepaald minimumpercentage. Het enkele feit dat bepaald gedrag intrinsiek gevaarzettend is, betekent nog niet dat de kans op gevaar aanmerkelijk is, ook niet als dat gedrag wordt herhaald. Verder is de aanmerkelijkheid van de kans niet afhankelijk van de ernst van het gevolg, aldus de Hoge Raad in meerdere uitspraken.

Hoe luidt dan wél het strafrechtelijk criterium? Het gaat volgens de Hoge Raad om de kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat houdt dat nu in? Dat houdt in dat het moet gaan om “de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.” Het gaat daarbij niet om de ervaringsregels van de verdachte, maar om ervaringsregels naar objectieve maatstaven. Anders gezegd, zoals Aben, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, in maart 2020 nog schreef: elke kans, die niet onwaarschijnlijk is, die groter is dan een kleine kans, is een aanmerkelijke kans.
Dat laat aan duidelijkheid weinig te wensen over: de kans dat je anderen besmet, als je – terwijl je zelf besmet(telijk) bent – je niet aan de aanwijzingen houdt, moet (ook zonder statistische onderbouwing) naar objectieve maatstaven voor “reëel”, althans “niet onwaarschijnlijk” en dus voor “aanmerkelijk” worden gehouden.

Kortom: vervolging van iemand die besmet is en die zich niet houdt aan de aanwijzingen, kan indien een ander besmet wordt – afhankelijk van de gevolgen van de besmetting en afhankelijk van de vraag of sprake is van schuld of opzet – zeker succesvol zijn.

‘Milde klachten’ niet altijd strafbaar

Er is echter één bijzonderheid: die raakt het geval waarin aan de zijde van de verdachte géén sprake is van opzet en bij de besmette persoon géén sprake is van ernstige klachten / zwaar lichamelijk letsel dan wel dood. In dat geval is het handelen van de verdachte niet strafbaar.
Hoe kan dat? De wet eist voor een veroordeling wegens mishandeling  (voorwaardelijk) opzet. In het geval van schuld is geen sprake van opzet en dus niet van mishandeling, en dus is dat handelen ook niet strafbaar. Immers, licht letsel door schuld is door de wetgever niet strafbaar gesteld.
Dat geldt echter niet in alle gevallen:  Als sprake is van zwaar lichamelijk letsel of de dood kan een verdachte – ook buiten het geval van opzet, ergo: in het geval van schuld  – wél strafbaar zijn.

Betekent dit nu ook dat voor mishandeling verwondingen of pijn altijd een vereiste is?  Nee, onder mishandeling valt niet alleen het bezorgen van pijn en/of letsel, maar ook het opzettelijk benadelen van de gezondheid en (sinds 2014, maar eigenlijk al sinds 1967) het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam. Dat betekent dan ook dat het opzettelijk besmetten van een ander, die uitsluitend milde klachten oploopt, wél strafbaar is, maar dat het door schuld iemand besmetten kennelijk alleen strafwaardig is als de besmette persoon min of meer langdurig in het ziekenhuis wordt opgenomen, dan wel komt te overlijden. Het is echter de vraag of dat naar hedendaagse maatstaven nog acceptabel is.

Civielrechtelijk aansprakelijkheid


Grondslag onrechtmatige daad coronabesmetting

Ook in het civiele aansprakelijkheidsrecht doet zich de vraag voor of een persoon (“dader”) aansprakelijk kan zijn voor een coronabesmetting van een ander (“slachtoffer”) door zich niet aan de voorschriften en noodverordening te houden. Op het moment dat er geen sprake is van een contractuele relatie tussen de besmette persoon en het slachtoffer zal de grondslag van de aansprakelijkheid gelegen zijn in artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).

Vereisten onrechtmatige daad

 Voor het succesvol kunnen aanspreken van de besmette persoon (dader) op grond van een onrechtmatige daad moet er voldaan worden aan een aantal vereisten. Er moet sprake zijn van handelen of nalaten dat heeft te gelden als een onrechtmatige daad. Deze onrechtmatige daad moet toe te rekenen zijn aan de dader. Verder dient er een causaal verband te bestaan tussen de door het slachtoffer opgelopen schade en de onrechtmatige daad. Tot slot moet er voldaan worden aan het zogenaamde relativiteitsvereiste, wat inhoudt dat geen schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

Door het besmetten van een persoon met het coronavirus zal men zowel de lichamelijke integriteit van een persoon schenden, als  – bij schending van de voorschriften en noodverordening – maatschappelijk onbetamelijk handelen. Het besmetten van een ander zal derhalve onder de handelingen zijn te scharen die een onrechtmatige daad opleveren (behoudens rechtvaardigingsgronden).

Indien er sprake is van onrechtmatig handelen dient ook beoordeeld te worden of het handelen is toe te rekenen aan de besmette persoon (dader). Evenals bij het arrest van de Hoge Raad in 2005 – waarbij de vraag speelde of er sprake is van een onrechtmatige daad ten aanzien van het veroorzaken van een HIV-besmetting door het toedienen van bloedproducten –  zal de onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen zijn als deze wist of had behoren te weten dat hij/zij besmet was met het virus. Van deze wetenschap zal sprake kunnen zijn als iemand één of meerdere symptomen van het virus vertoont, nu deze symptomen veelvuldig onder de aandacht zijn gebracht via allerlei mediakanalen. Uiteraard is er zeker sprake van deze wetenschap als de dader positief getest is op het virus.

Voor de invulling van het vereiste van het hebben van schade aan de zijde van het slachtoffer voor het succesvol kunnen beroepen op een onrechtmatige daad kan men denken aan schadeposten zoals inkomensderving van een ZZP’er, medische kosten, reis- en verblijfkosten en verzorgingskosten. Ook het invullen van het relativiteitsvereiste lijkt geen probleem te zijn nu de voorschriften en noodverordening geschreven zijn ter bescherming van de gezondheid van de bevolking.

Het probleem lijkt echter meer gelegen in het bewijs van het causaal verband tussen de onrechtmatige handeling van de besmetting en de schade.

Causaal verband

Tenzij een persoon geïsoleerd is en slechts in contact komt met één en dezelfde persoon, zal het moeilijk aan te tonen zijn dat het slachtoffer besmet is geraakt met het virus door het handelen van één specifiek persoon. De kans zal steeds aanwezig zijn dat het slachtoffer ook in aanraking is geweest met (een) andere besmettingsbron(nen), nu het virus zich eenmaal zeer gemakkelijk verspreidt door veelal de lucht (via hoest- en niesdruppeltjes). Door het niet kunnen uitsluiten van alternatieve besmettingsbronnen (andere personen), zal het moeilijk zijn iemand succesvol aansprakelijk te houden voor het niet voldoen aan de aan de voorschriften en noodverordening.

Wij menen dat de samenleving ook niet gebaat is bij een stortvloed aan aansprakelijkstellingen voor schade ten gevolge van een besmetting met het coronavirus (bij lichte schendingen van de voorschriften en noodverordening). Dat neemt echter niet weg dat er wel verwerpelijke zaken zijn waarbij mensen politieagenten, hulpverleners of andere personen bedreigen met het besmetten van het virus door opzettelijk in het gezicht te hoesten of te bespugen. In dergelijke gevallen kan de Nederlandse wetgeving en rechtspraak mogelijk een uitkomst bieden aan slachtoffers van dit gedrag ten aanzien van het aantonen van het causale verband tussen de handelingen van deze dader en de uiteindelijke besmetting.

Corona-hoesters en bespugers

Op de eerste plaats is bij zaken van het opzettelijk bespugen of in het gezicht hoesten van personen van belang dat deze handelingen in de eerste gerechtelijke (straf)uitspraken hieromtrent worden gekwalificeerd als strafbare feiten, te weten bedreiging dan wel mishandeling, zodat de daders onrechtmatig handelen jegens de slachtoffers verweten kan worden. De dader stelt met deze opzettelijke handelingen het slachtoffer bloot aan het risico van een besmetting. Nu een besmetting met het coronavirus, evenals ernstige besmettelijke ziekten zoals het HIV-virus en hepatitis B of C, in (sommige) gevallen levensbedreigend kan zijn, is er een potentieel risico op een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Verdedigbaar is dat in een dergelijk geval civielrechtelijke medewerking aan een coronatest afgedwongen kan worden bij de daders teneinde zekerheid te verkrijgen omtrent de besmetting. Voor een strafrechtelijk gedwongen test is echter een wijziging van de regeling nodig.

Indien uit de test blijkt dat de dader niet besmet is met het virus, hoeft het slachtoffer ook niet in isolatie met alle voordelen van dien. Mocht de dader wel besmet zijn met het virus, dan kan het slachtoffer mogelijk gebruik maken van  de bewijsvoordelen die artikel 6:99 BW aan het slachtoffer biedt. Bij een positieve uitkomst van de test staat namelijk vast dat de dader de gehele schade van het slachtoffer veroorzaakt kan hebben. Doordat onder artikel 6:99 BW niet van het slachtoffer verwacht wordt dat hij stelt wie nog meer tot de groep aansprakelijke personen hoort, die mogelijk de besmetting bij het slachtoffer heeft veroorzaakt, zal de dader moeten aantonen dat hij niet de bron van de besmetting. Kan de dader dit niet dan kan hij niet aan aansprakelijkheid ontkomen. Nu ook voor de dader dezelfde bewijsproblematiek zal gelden ten aanzien van het causaal verband, zal de dader maar moeilijk  -anders dan een bewijs van het feit dat hij niet besmet is – aan aansprakelijkheid kunnen ontkomen.

Mogelijkheden tot afdwingen test

Zoals eerder in dit artikel is aangehaald heeft de Minister van Justitie en Veiligheid bij kamerbrief van 3 april 2020 laten weten aan een spoedwet te werken, waarbij deze “corona-hoesters/spugers” gedwongen aan een test kunnen worden onderworpen. Niet valt uit te sluiten dat een slachtoffer nu al in een civiele procedure (een kort geding) medewerking van de dader aan een dergelijke test kan afdwingen. Bij gebrek aan huidige wetgeving, valt niet uit te sluiten dat via een kort geding in een civiele procedure de dader wordt gedwongen tot medewerking aan een dergelijke test.

Voordat in het verleden wetgeving het mogelijk heeft gemaakt om daders van bepaalde misdrijven te dwingen bij een beperkt aantal bij algemene maatregel van bestuur genoemde ernstige ziekten (zoals het HIV-virus) celmateriaal af te staan, om vast te stellen of de dader drager was van een dergelijke ziekte, bood de rechtspraak al uitkomst. Voor de wetswijziging was via een civiele procedure bij een mogelijke HIV-besmetting door verkrachting een dader al veroordeeld tot medewerking aan een Hiv-test door het toekennen van schadevergoeding in natura. In deze zaak overwoog de Hoge Raad in 1993 dat indien er sprake is van verkrachting, uit de regels betreffende onrechtmatige daad voortvloeit dat het slachtoffer recht heeft op beperking van de gevolgen van de onrechtmatige daad, waaronder het wegnemen van de onzekerheid bij het slachtoffer of zij met het Hiv-virus was besmet. Mogelijk kan ook deze weg bewandeld worden bij de corona-hoesters en bespugers.

Conclusie

Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid geldt dat vervolging van iemand die besmet is en die zich niet houdt aan de voorschriften en noodverordening succesvol kan zijn indien een ander besmet wordt. Het succes zal afhangen van de gevolgen van de besmetting en van de vraag of sprake is van schuld of opzet bij de besmetting. Ook civielrechtelijk geldt dat deze overtredingen in beginsel een onrechtmatige daad oplevert.

Voor echter zowel de strafrechtelijke aansprakelijkheid als de civiele aansprakelijkheid zal gelden dat het moeilijk zal zijn te bewijzen dat een met het virus besmet persoon, die zich niet houdt aan de voorgeschreven voorschriften en noodverordening, de bron is van de besmetting bij een slachtoffer.

Voor de corona-hoesters en spugers zal echter gelden dat zij strafrechtelijk vervolgd kunnen worden, en dat er een kans bestaat dat zij via een civielrechtelijke procedure aansprakelijk gehouden kunnen worden voor de schade van het slachtoffer. En dat is zonder meer terecht!

Neem voor meer informatie contact op met Jade Joosten of Joost Wasser.