PIP en hechtdraad

Aansprakelijkheid voor medische hulpzaken: dat 2018 helderheid moge bieden!

Zaken zoals (PIP-)borstprothesen, (MoM-)heupprothesen of operatiemateriaal kunnen schade veroorzaken. Doorgaans zoekt de patiënt dan naar een partij om zijn schade op af te wentelen. Soms leidt dat tot een procedure en oordeel van de rechter. Ook het afgelopen jaar werden enkele uitspraken over de aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken gedaan.

Op 22 november jl. wees de Rechtbank Oost-Brabant vonnis in een aansprakelijkheidskwestie. Centraal stond de vraag of het Jeroen Bosch Ziekenhuis aansprakelijk was voor de schade van een patiënte veroorzaakt door een lekkende PIP-borstprothese. Deze prothese was in het Jeroen Bosch Ziekenhuis geplaatst. De hoofdregel is dat indien bij de uitvoering van een verbintenis (lees: de geneeskundige behandeling) gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, de tekortkoming die daardoor ontstaat de schuldenaar (lees: de hulpverlener) wordt toegerekend (artikel 6:77 BW). Een uitzondering is echter mogelijk indien de rechter gelet op de feiten en omstandigheden van het geval oordeelt dat toerekening gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit of de in het verkeer geldende opvattingen dan wel overige omstandigheden van het geval, onredelijk is. De hulpverlener dient die feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting, te bewijzen.
In dit geval oordeelde de rechtbank inderdaad dat die toerekening onredelijk is. Zij baseerde haar oordeel met name op het feit dat met de PIP-borstprothesen gefraudeerd is. Dat de producent inmiddels failliet is, is niet een omstandigheid die dat oordeel anders zou maken, aldus de rechtbank. Opmerkelijk is overigens wel dat de overwegingen in het vonnis van de rechtbank soms lijken te suggereren dat het aan de patiënt is om feiten en omstandigheden aan te dragen voor het oordeel dat toerekening redelijk is, terwijl de rechtbank begint met de overweging dat ‘de stelplicht en de bewijslast dat toerekening onredelijk is, op degene rust die zich op die uitzondering beroept, in dit geval JBZ.’ Dit laatste is overigens ook niet zuiver. Of de toerekening redelijk of onredelijk is, is een rechtsoordeel. De feiten en omstandigheden die tot dat oordeel nopen, moeten worden gesteld en, bij betwisting, worden bewezen.

Een jaar eerder (maar onlangs pas gepubliceerd) oordeelde de Rechtbank Limburg in een aansprakelijkheidskwestie dat de toerekening wel redelijk was (). In dit geval ging het om het falen van een hechtdraad, hoewel het overigens niet duidelijk was of dat nu de oorzaak was of dat daaraan een menselijke fout ten grondslag lag. Voor het oordeel maakte het niet uit: aan de voorwaarden voor zowel toerekening krachtens schuld als voor toerekening krachtens de wet (artikel 6:77 BW) was voldaan, aldus de rechtbank. De rechtbank achtte voor haar oordeel dat toerekening van de tekortkoming door het gebruik van de draad redelijk was doorslaggevend dat het om een door het ziekenhuis ingekochte V-lockdraad ging, oftewel om een door de arts of het ziekenhuis gekozen hulpmiddel; het ziekenhuis had gekozen voor een bepaalde soort en een bepaald merk van deze draad, terwijl de patiënt daarop geen enkele invloed had gehad. Ongeschiktheid van de draad lag volgens de rechtbank dan ook meer in de sfeer van het Zuyderland dan in die van de patiënt. Voorts was van belang dat het Zuyderland geacht moest worden bekend te zijn met de naam van de producent van de ongeschikte zaak en – beter dan de patiënt – in staat moest worden geacht om de gebruikte zaak te onderzoeken en jegens de producent te onderbouwen dat het een gebrekkig product betrof. Ten slotte hechtte de rechtbank waarde aan het feit dat het ziekenhuis zich tegen aansprakelijkheid had kunnen verzekeren en, gelet op de bemoeienis van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar in deze zaak, zich ook daadwerkelijk van een aansprakelijkheidsverzekering had voorzien.

Twee oordelen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Dit kan worden verklaard door de ietwat verschillende omstandigheden waarbij de fraude en het faillissement van PIP in de eerste zaak opmerkelijk zijn. In beide gevallen is het ziekenhuis echter verzekerd en heeft de patiënt geen invloed gehad op de keuze van de zaak.

De uitspraken van bovengenoemde rechtbanken zijn er twee van een hele reeks, waarbij soms wel en soms niet tot onredelijkheid van de toerekening wordt geoordeeld. Soms speelt de afwezigheid van invloed op de keuze van de zaak een rol, soms niet. Soms speelt het bekend zijn met een producent die verhaal kan bieden een rol, soms niet. Soms speelt de omstandigheid dat het ziekenhuis verzekerd is een rol, soms niet.

Voorspelbaar zijn de uitspraken in elk geval niet, ook niet in gelijke of vergelijkbare omstandigheden. Ook een vorm van rechtszekerheid? Dat 2018 helderheid moge bieden.

Geschreven door Rolinka Wijne.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met een van onze advocaten van de expertise Gezondheidsrecht.

 

 

Rolinka Wijne, Wetenschappelijk Bureau

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar