Ook goodwillvergoeding in privékliniek

Eisers vormen samen een maatschap anesthesiologie, verbonden aan een algemeen ziekenhuis. Daarnaast zijn zij werkzaam binnen een privékliniek. De verhouding tussen eisers en de privékliniek is geregeld in de tussen hen gesloten intentieovereenkomsten en op basis daarvan door de kliniek met ieder van eisers jaarlijks gesloten toelatingsovereenkomsten. De eerst intentieovereenkomst gold voor drie jaar en de tweede voor vijf jaar en wordt behoudens opzegging zes maanden voor afloop van de overeenkomst, telkens stilzwijgend voor eenzelfde periode verlengd. De kliniek heeft de vigerende intentieovereenkomst per 1 maart 2013 willen beëindigen, maar is door de voorzieningenrechter van de rechtbank veroordeeld om eisers tot 2014 voor hun werkzaamheden in de kliniek toe te laten. De kliniek heeft in dat vonnis berust. Eisers hebben berust in de beëindiging van de intentieovereenkomst per 1 januari 2014. De samenwerking eindigt derhalve op 31 december 2013.

De intentieovereenkomst bepaalt: De leden van de maatschap worden als anesthesioloog/vrij beroepsbeoefenaar toegelaten tot de privékliniek en zullen daar werkzaamheden op het gebied van de anesthesiologie verrichten. Iin artikel 1.3 is bepaald dat de rechtsverhouding, volgend uit de in lid 1 bedoelde toelating, wordt vormgegeven door de toelatingsovereenkomst met welke overeenkomst de leden van de maatschap zich bekend en akkoord verklaren.

De toelatingsovereenkomsten tussen de kliniek en eisers golden steeds voor de periode van één jaar, maar de schriftelijke vastleggingen daarvan zijn niet jaarlijks ondertekend. De toelatingsovereenkomsten wijken in verschillende opzichten af van de toenmalige model-toelatingsovereenkomsten. Zo ontbreekt daarin artikel 17.2 betreffende goodwill uit de model-toelatingsovereenkomst. In het vóór 2011 gehanteerde model was in artikel 17.2 de volgende bepaling opgenomen: Tenzij het tegendeel schriftelijk is vastgelegd, heeft de medisch specialist recht op goodwill ten aanzien van de uit hoofde van de onderhavige overeenkomst in het ziekenhuis verrichte werkzaamheden. In de tot en met 2011 met eisers gesloten overeenkomsten ontbreken overigens ook enige andere bepalingen met betrekking tot goodwill.

In juni 2012 doet de kliniek aan eisers op basis van de nieuwe model-toelatingsovereenkomst 2011 een voorstel voor een nieuwe toelatingsovereenkomst, waarvan artikel 25 als volgt luidt:
De medisch specialist heeft geen enkel recht om goodwill te bedingen bij de overname van zijn medisch-specialistische praktijk uitgeoefend in de kliniek, tenzij schriftelijk anders overeengekomen. Eisers hebben onder meer vanwege deze bepaling niet met het concept voor een nieuwe toelatingsovereenkomst ingestemd. Omdat de onderhandelingen daarover tussen eisers en kliniek niet tot overeenstemming hebben geleid, heeft de kliniek besloten tot beëindiging van de intentieovereenkomst. In de model toelatingsovereenkomst 2011 is met betrekking tot goodwill in artikel 26 bepaald: de medisch specialist heeft het recht goodwill te bedingen bij de overname van zijn medisch-specialistische praktijk uitgeoefend in het ziekenhuis, tenzij schriftelijk anders overeengekomen.

Tussen partijen is alleen nog in geschil of eisers aanspraak kunnen maken op vergoeding van goodwill. Volgens de kliniek is dat niet het geval, omdat dat niet is overeengekomen. Immers, de gebruikelijke goodwillbepaling uit het model is weggelaten. Het Scheidsgerecht oordeelt dat anders dan de kliniek meent, uit het enkel ontbreken van de gebruikelijke goodwillbepaling in de toelatingsovereenkomst op zichzelf niet volgt dat eisers geen aanspraak op goodwill kunnen hebben. Het staat vast dat eisers op grond van het samenstel van de intentieovereenkomst, eerst voor drie jaar en voorts voor vijf jaar, en de toelatingsovereenkomsten als vrijgevestigde anesthesiologen tot de kliniek zijn toegelaten om voor eigen rekening en risico de praktijk uit te oefenen in de kliniek. Dat laatste staat met zoveel woorden ook in de toelatingsovereenkomst. Dit kan niet anders betekenen dan dat eisers als zelfstandig ondernemers binnen de muren van de kliniek hun praktijk hebben opgebouwd, waarbij de kliniek die praktijkoefening faciliteert.

Het staat de medisch specialist als zelfstandig ondernemer in beginsel vrij van een opvolgend medisch specialist die zijn praktijk overneemt vergoeding van goodwill te bedingen, ook als daarover niets is bepaald in de toelatingsovereenkomst tussen de medisch specialist en het ziekenhuis. De betekenis van de gebruikelijke goodwillbepaling in de toelatingsovereenkomst is dat het ziekenhuis moet respecteren dat de medisch specialist bij de praktijkoverdracht van zijn opvolger goodwill kan bedingen maar daarmee is niet gezegd dat indien een dergelijke bepaling ontbreekt het ziekenhuis reeds daarom aan praktijkoverdracht tegen vergoeding van goodwill in de weg mag staan. De kliniek heeft verder het standpunt ingenomen dat van vergoeding van goodwill geen sprake kan zijn omdat de eisers destijds zelf geen goodwill hebben betaald en voorts dat van door eisers opgebouwde goodwill evenmin sprake kan zijn. Daarin wordt de kliniek niet gevolgd. Eisers zijn destijds in een nieuw opgerichte kliniek begonnen en van enige (door voorgangers) opgebouwde goodwill was geen sprake en betaling van een vergoeding daarvan was dan ook niet aan de orde. Als eisers vervolgens zelf goodwill hebben opgebouwd valt niet in te zien waarom zij daarvoor niet de vergoeding zouden mogen bedingen van eventuele opvolgers. Medisch specialisten waren immers zelf mede verantwoordelijk voor het komen van patiënten naar de kliniek. Het lijdt geen twijfel dat eisers vanaf begin 2006 een anesthesiologische praktijk in de kliniek hebben opgebouwd. Niet weersproken is dat toen zij daar begonnen er vrijwel geen patiënten waren. Thans is er een goedlopende kliniek waarin de nodige goodwill is opgebouwd. Eisers hebben hun maatschap moeten uitbreiden om de anesthesiologische zorg in de kliniek te kunnen leveren. Hoewel partijen van mening verschillen over de vraag om hoeveel fte het gaat is dat tussen de 1,35 en 1,85. Na beëindiging van de toelatingsovereenkomst op 1 januari 2014 is voor dit aantal fte’s geen werk meer en moet tot inkrimping van de maatschap worden overgegaan met aanmerkelijke gevolgen voor het inkomen van de overblijvende maten.

Het scheidsgerecht oordeelt dat de billijkheid verlangt dat onder vorengenoemde omstandigheden eisers hun opgebouwde goodwill kunnen verzilveren wat ten gevolge van de aan kliniek toe te rekenen omstandigheden nodig is geworden en tevens onmogelijk. Dat eisers uit de kliniek moeten vertrekken is het gevolg ervan dat de kliniek in een nieuwe toelatingsovereenkomst elk recht op vergoeding van goodwill wilde uitsluiten hoewel dat niet eerder tussen partijen was overeengekomen. Het is begrijpelijk dat eisers dat niet zondermeer wilden accepteren. Dat hoefden zij ook niet. Dat de stafmaatschap had ingestemd met de nieuwe toelatingsovereenkomst doet daar niet aan af. De stafmaatschap had ter zake geen bevoegdheid om bindende afspraken voor eisers te maken. Het is daarom redelijk en billijk dat de kliniek waaraan de hele mede door eisers opgebouwde goodwill ten goede zal komen aan eisers een vergoeding betaalt voor de door hen achter te laten praktijk. Daarom wordt bepaald dat de goodwillvergoeding vastgesteld zal dienen te worden op basis van de geldende regels van de Orde van Medisch Specialisten. Daarbij zullen de partijen aan de hand van het witte boekje moeten bepalen om hoeveel fte het gaat. De kliniek moet alsdan deze goodwill vergoeden en wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Coen Verberne, 040 23 80 600.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar