Praktijkvoorbeeld strategisch procederen

Omgevingsvergunning zonnepark Enterveen niet geschorst: praktijkvoorbeeld strategisch procederen

Tegen de komst van de meeste zonneparken wordt geprocedeerd, vaak door omwonenden of concurrerende exploitanten. Een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 20 maart 2020 laat goed zien welke strategische afwegingen gemaakt worden door tegenstanders en initiatiefnemers in de strijd voor en tegen de komst van een zonnepark.

Casus

Initiatiefnemer SolarEnergyWorks vraagt een omgevingsvergunning aan voor een zonnepark in het dorp Enter, voor de duur van 25 jaar. Omdat een zonnepark niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, verlenen B&W van de gemeente Wierden op 17 januari 2020 naast een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ ook een omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig handelen.

In de krant Tubantia verscheen een artikel waaruit blijkt dat buurtbewoners faliekant tegen de komst van het zonnepark zijn. Zij stellen zich naar verluidt op het standpunt dat B&W na de komst van bedrijventerrein De Elsmoat hebben toegezegd dat het Enterveen, de beoogde locatie van het zonnepark, hooilanden met natuurwaarde zou worden. Draagvlak ontbreekt in de buurt, en het bedrijf Innovestment, kennelijk gelieerd aan de initiatiefnemer, zou tweespalt zaaien in de buurt “door soloacties richting enkele bewoners”.

Tot zover dus veel elementen van een typisch ‘no-zonnepark-in-my-backyard-scenario’. Overheidstoezeggingen uit het verleden? Check. Afweging natuurwaarden versus duurzame energieproductie? Check. Vermeend onduidelijke communicatie vanuit de gemeente en de initiatiefnemer? Check. Buurtbewoners ten strijde met een beroep op ontbreken van draagvlak? Check.

Er zijn overigens meer dan genoeg zonneprojecten waar het wel goed gaat. Dit blijkt uit de enorme groei in het aandeel zonne-energie in de Nederlandse energiemix. Het opgestelde vermogen aan zonnepanelen nam in 2019 toe met ruim de helft (53 procent) en de capaciteit bedraagt inmiddels bijna 7 gigawatt, 5 procent van de totale Nederlandse elektriciteitsproductie (zie het volgende artikel in Cobouw van 29 januari 2020).

Procedure en uitspraak

Belanghebbenden, ik vermoed buurtbewoners, verzoeken gedurende de beroepstermijn de voorzieningenrechter de inwerkingtreding van de verleende omgevingsvergunning op te schorten. De vergunning wordt verleend via de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure, wat betekent dat de vergunning pas in werking treedt nadat door de voorzieningenrechter uitspraak is gedaan op het verzoek.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat volgens hem geen sprake is van een spoedeisend belang. De initiatiefnemer heeft namelijk bij brief van 16 maart 2020 verklaard dat realisering van het zonnepark niet eerder te verwachten is dan medio november/december 2020. De voorzieningenrechter overweegt dat voordat met de uitvoering van de vergunning begonnen wordt, de rechtbank reeds op het beroep zal kunnen beslissen. En als de rechtbank, “om welke reden ook” (ik lees hierin een subtiele aankondiging van Corona-gerelateerde vertraging bij de rechtbank), niet voordat uitvoering aan de vergunning wordt gegeven op het beroep heeft beslist, dan kunnen verzoekers een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk ongegrond acht wordt het verzoek zelfs afgewezen zonder zitting, ondanks een expliciet verzoek van verzoekers om op zitting te worden gehoord.

Interessant is het argument van verzoekers dat de initiatiefnemer geen subsidie voor zijn project kan verkrijgen zolang de vergunning is geschorst. Dit zal gaan om een SDE+-subsidie. De voorzieningenrechter overweegt dat de onderhavige procedure alleen gaat over de omgevingsvergunning en dat de vraag of een aanspraak op subsidie bestaat niet de verleende omgevingsvergunning raakt.

Strategisch procederen bij zonneparken

Beoefenaren van het ruimtelijk ordeningsrecht weten: als je als vergunninghouder toezegt (nog even) geen uitvoering te geven aan je vergunning, dan wordt een voorlopige voorziening meestal afgewezen. Die verklaring moet wel geloofwaardig zijn, maar in de praktijk wordt die geloofwaardigheid wel aangenomen. In iedere procedure als deze, is dit dus een relatief makkelijke ‘win’ voor de initiatiefnemer. Je zegt gewoon dat je nog niet begint met bouwen totdat, bijvoorbeeld een uitspraak is gewezen op het beroep. Of zoals in dit geval, dat je überhaupt pas op een later moment begint met bouwen.

Bij de realisatie van een zonnepark spelen in dit soort procedures specifieke afwegingen. Bijvoorbeeld het moment waarop de zon volop schijnt in relatie tot het moment waarop je subsidie zult ontvangen. Ideaal is meestal bouw in het najaar/winter en start exploitatie in de lente/zomer. Je begint pas met bouwen als je geld hebt, en als je afhankelijk bent van SDE+-subsidie zijn daarbij de openstellingsrondes van belang: één in het voorjaar en één in het najaar. Let wel, mogelijk is er vanaf 2021 nog maar één openstellingsronde per jaar, rond de zomer. Voor de planning is natuurlijk ook van belang dat de initiatiefnemer tijdig beschikt over een transportindicatie van de netbeheerder (voor de voorjaarsronde 2020 kon deze vanaf 17 februari 2020 worden aangevraagd).

In deze zaak is de stelling van initiatiefnemer dat pas in november/december wordt gebouwd mogelijk te verklaren tegen de achtergrond van de ideale exploitatieseizoenen. De exploitatie begint dan in het voorjaar, en de initiatiefnemer kan dan nog meedoen aan de najaarsronde voor de SDE++ 2020. De timing van de vergunningverlening op 17 januari 2020 doet overigens wel vermoeden dat aanvankelijk het plan was mee te doen in de voorjaarsronde SDE+ 2020. Het is dus goed mogelijk dat de verklaring van de initiatiefnemer tijdens de voorlopige voorziening enigszins noodgedwongen is afgegeven om schorsing van de vergunning te vermijden. Het feit dat die verklaring vier dagen voor de uitspraak van de voorzieningenrechter is afgegeven versterkt dit vermoeden. Dit soort vertragingen in de planning kunnen bedrijfseconomische uiteraard wel uitdagingen opleveren in verband met een langere doorlooptijd van het project.

De strategie van de omwonenden lijkt in zoverre te hebben gewerkt dat de realisatie enige tijd is uitgesteld. In deze tijd kunnen zij de messen slijpen en bijvoorbeeld proberen de gemeenteraad en B&W onder druk te zetten. Maar uitstel leidt ten opzichte van buurtbewoners vaak niet tot afstel, zeker omdat nog helemaal niet duidelijk is of de verleende vergunning inhoudelijk stand zal houden of niet (in de praktijk vaker wel dan niet).

De strategie van de initiatiefnemer om het project uit te stellen werkt waarschijnlijk ook. Zij voorkomt schorsing van de vergunning en kan met de dus in werking getreden omgevingsvergunning een SDE++-subsidie gaan aanvragen in het najaar. De voorzieningenrechter meent dat een dergelijke (aanstaande) subsidieaanvraag niet van belang is in het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning. Dus ook als omwonenden rond de SDE++-openstellingsronde in het najaar een verzoek om voorlopige voorziening indienen zal dit voor deze rechtbank geen reden zijn de vergunning te schorsen. Die relatieve zekerheid heeft de initiatiefnemer nu bereikt.

Voor een concurrent is een voorlopige voorziening bij een omgevingsvergunning die via de uitgebreide route is voorbereid dus ook een ‘quick win’. Immers, als een concurrent deze procedure aanhangig had gemaakt, dan had ze mogelijk eenzelfde uitstelverklaring van de initiatiefnemer afgedwongen en bereikt dat zij minimaal één zomerseizoen minder concurrentie te duchten heeft. Wat dat betreft kun je ook vraagtekens zetten bij de timing van de vergunningverlening. Immers, na de verlening op 17 januari 2020 duurde het tot 28 februari 2020 voordat de initiatiefnemer eerste zekerheid zou verkrijgen over zijn vergunning; op die dag verliep namelijk de beroepstermijn. Indien echter op die dag of daags daarvoor een verzoek om voorlopige voorziening zou worden ingediend (wat hier is gebeurd), dan moet je rekening houden met in beginsel gemiddeld nog vier tot zes weken voor het doorlopen van een voorlopige voorzieningenprocedure. Voor je een uitspraak hebt is het dan al eind maart of begin april, en dan is de voorjaarsronde SDE+ voorbij. Qua timing dus allemaal iets te krap naar mijn smaak. De initiatiefnemer had er beter aan gedaan, met de gemeente, te richten op vergunningverlening in december 2019 of eerder.

Deze en andere afwegingen spelen een belangrijke rol in procedures met betrekking tot zonneparken, voor initiatiefnemers, omwonenden, concurrenten en gemeenten.

U kunt de uitspraak hier raadplegen.

Heeft u vragen over de realisatie van een zonnepark en zoekt u iemand die juridisch en strategisch met u meedenkt? Neem dan contact op met Harald Wiersema.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar