Weer: het medisch beroepsgeheim

Op 6 september 2016 heeft de rechtbank Overijssel een uitspraak gedaan over het medisch beroepsgeheim van een vakgroep kinderartsen.

De zaak draaide om het trieste overlijden – naar werd vermoed: als gevolg van een misdrijf – van een negen maanden oude baby. Bij sectie bleek geen medische verklaring voor het overlijden.

De Officier van Justitie vorderde, met machtiging van de rechter-commissaris, dat het ziekenhuis de medische gegevens over de baby zou verstrekken, en ook de kennelijk opgemaakte psychologische rapporten over de vader en de moeder van de baby. Het ziekenhuis, aan wie de vordering werd gedaan, beriep zich als afgeleid verschoningsgerechtigde op het medisch beroepsgeheim.

Volgens bestendig gebruik werd aan de vordering voldaan door overhandiging van de gegevens in een verzegelde envelop, die pas geopend wordt nadat de raadkamer van de rechtbank zich over het bezwaar heeft uitgelaten.

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding moet wijken voor het individuele belang van de privacy van de patiënt en het maatschappelijk belang dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een arts moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht is echter niet absoluut, in die zin dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen, waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt boven het verschoningsrecht prevaleert.

De rechtbank nam aan dat er ten aanzien van de gegevens over de baby sprake was van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Echter niet, en terecht, ten aanzien van de psychologische rapporten van vader en moeder, die (dan wel één van hen) verdachte waren. De rechtbank vond deze rapporten (terecht) niet cruciaal voor de waarheidsvinding.

Als zeer uitzonderlijke omstandigheden noemde de rechtbank dat het ging om een verdenking van een zeer ernstig misdrijf, dat de ouders toestemming hadden gegeven, en dat deze gegevens mogelijk een bevestiging van de verklaring van de vader zou kunnen opleveren, dat hij bij het ziekenhuispersoneel zijn zorgen had uitgesproken over de behandeling. Nu de medische informatie cruciaal was en niet anders kon worden verkregen, was sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigden. Deze uitspraak is in lijn met eerdere rechterlijke uitspraken en is niet onbegrijpelijk.

De vraag dient zich echter aan of het niet – nu de ouders toestemming hadden verleend – eenvoudiger geweest, als de ouders zelf het dossier zou hebben opgevraagd, en dit aan de politie zouden hebben overhandigd? Het antwoord daarop is: neen. De wetgever wilde namelijk niet dat de politie in zo’n geval vraagt om op vrijwillige basis mee te werken aan het verstrekken van de beelden, terwijl daarnaast een officieel bevel aan de ouders (die beiden, of één van hen) verdachte waren, niet mogelijk is. Er was dus geen andere mogelijkheid.

Een heldere uitspraak. Dat geldt ook voor het oordeel van de rechtbank dat een melding aan het AMK een bij de wet voorziene uitzondering op de geheimhoudingsplicht is, en dat een dergelijke melding niet aan een beroep op het verschoningsrecht later in de weg staat.

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar