IT en aansprakelijkheid voor gevolgschade

Bij IT-projecten staan doorgaans grote belangen op het spel. Het falen van een project kan leiden tot enorme schadeposten. Juist vanwege die grote belangen is het gebruikelijk dat  IT-leveranciers hun aansprakelijkheid voor schade inperken. Maar houden die inperkingen altijd stand bij de rechter? Het blijkt van niet.

De inperking van aansprakelijkheid vindt doorgaans plaats in de algemene voorwaarden van de leverancier, in een zogenaamd exoneratiebeding. Over het algemeen wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen zogenaamde directe schade en indirecte schade. Directe schade wordt doorgaans gedefinieerd als kosten die een klant heeft moeten maken om het systeem alsnog op orde te krijgen of haar oude systeem langer in de lucht te houden. Schade als gevolg van verlies van data of tijdelijke uitval van een systeem of schade die optreedt doordat besparing pas later intreden, wordt meestal als indirecte schade gezien. Vaak sluit de leverancier haar aansprakelijkheid voor indirecte schade helemaal uit. En ten aanzien van directe schade neemt de leverancier vaak een maximum op dat meestal weer wordt gekoppeld aan de factuurwaarde van de opdracht. Ook de modelvoorwaarden van Nederland ICT gaan uit van een dergelijke systematiek.

De ervaring leert dat over het algemeen deze vorm van beperking van aansprakelijkheid wel stand houdt in geval een zaak voor de rechter komt.  Toch blijkt dat niet altijd zo te zijn. Op 16 februari 2016 deed de rechtbank Rotterdam bijvoorbeeld uitspraak in een geschil tussen een IT-leverancier en haar klant. Die klant was teleurgesteld over een IT-implementatie. In een eerdere procedure tussen partijen was al vastgesteld dat de IT-leverancier wanprestatie had geleverd. Ook was al geoordeeld dat de IT-leverancier in beginsel de aan de zijde van de klant geleden schade diende te vergoeden. In een separate procedure discussieerden partijen uitgebreid over de omvang van die schade en de vraag of die volledige schade voor vergoeding in aanmerking kwam.

De rechtbank overwoog dat de vraag of in een concreet geval beroep gedaan mag worden op een exoneratiebeding afhankelijk is van de waardering van de relevante omstandigheden. En vervolgens liep de rechtbank een aantal van die omstandigheden af.  Vastgesteld werd dat er sprake was van aanzienlijke schade.  Verder was duidelijk dat er sprake was van een situatie waarbij de leverancier aanmerkelijk deskundiger was dan de klant. Vervolgens liet de rechtbank meewegen  dat de klant volledige openheid van zaken had gegeven aan de leverancier en dat de leverancier dus alle kennis omtrent de systemen en processen van de klant had verkregen. Een ander aspect dat voor de rechtbank van belang was, was de omstandigheid dat het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden was opgenomen en dat daar door partijen niet over was onderhandeld. En tot slot meende de rechtbank dat door het beding feitelijk bijna alle relevante schade zou worden uitgesloten. Als een beroep op het beding zou openstaan zou dat tot gevolg hebben dat de IT-leverancier te weinig prikkel zou overhouden om de overeenkomst op correcte wijze na te leven.

Vandaar dat de rechtbank concludeerde dat een beroep op de exoneratie in dit geval een onaanvaardbaar resultaat zou opleveren en in strijd zou komen met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank kende de gevolgschade toe, maar beperkte deze wel tot de factuurwaarde.

Het is duidelijk dat het oordeel sterk bepaald is door de specifieke feiten in deze zaak; daarom moeten we uitkijken met het trekken van algemene conclusies . Het is zeker niet zo dat hiermee nu vast staat dat elke exoneratie voor gevolgschade onderuit gaat. We weten natuurlijk ook nog niet of de uitspraak in een eventueel hoger beroep wel overeind zal blijven. Maar  het exoneratiebeding is niet zo onaantastbaar als het lijkt. Misschien een mooi moment om uw eigen voorwaarden eens onder de loep te nemen!

Auteur: Luuk Jonker

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar