De Hoge Raad over inzagerecht in medische aansprakelijkheidskwesties

inzagerecht jurist

Op 1 december jl. publiceerde de Hoge Raad zowel een prejudiciële beslissing als een beschikking. Naar beide uitspraken werd reikhalzend uitgezien omdat de onderliggende onderwerpen vaak zorgen voor geschillen waar het gaat om afwikkeling van medische aansprakelijkheidskwesties buiten rechte. Welke onderwerpen dat zijn? De (on)mogelijkheid om als jurist van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar of als jurist van de verzekeraar zonder toestemming van de patiënt inzage te hebben in diens medische gegevens en de (on)mogelijkheid om als patiënt inzage te hebben in het medisch advies van de medisch adviseur van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars.

1. Toestemming voor inzage in medische gegevens door jurist?

Met zijn prejudiciële beslissing oordeelde de Hoge Raad dat bij de buitengerechtelijke afhandeling van een vordering tot schadevergoeding de hulpverlener niet zonder toestemming van de patiënt medische gegevens van de patiënt mag delen met een jurist.

Relevant in dat verband is dat op de hulpverlener een geheimhoudingsplicht rust. Met toestemming van de patiënt mag de hulpverlener niettemin gegevens aan een ander verstrekken. Ook de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) gaat uit van een verbod op het delen van medische gegevens en benoemt eveneens de uitdrukkelijke toestemming als rechtsgeldige reden voor doorbreking van het verbod (artikel 9, eerste lid, AVG).

Alleen een wettelijke grondslag zou het mogelijk maken om medische gegevens te delen zonder die vereiste toestemming. Die wettelijke grondslag kan evenwel niet worden gevonden in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder f, AVG, niet in de Wkkgz en niet in de verzekeringsovereenkomst.

Toestemming van de patiënt is dus nodig, maar geeft hij die niet op basis van een zorgvuldige machtiging (daarvoor noemt de Hoge Raad enkele criteria), dan hoeft het ziekenhuis of de verzekeraar ook niet een inhoudelijk standpunt over de vordering in te nemen, omdat het dan niet in de gelegenheid is geweest dit standpunt met een jurist te bepalen.

2. Inzagerecht in het advies van de medisch adviseur?

Met zijn beschikking oordeelde de Hoge Raad dat in de situatie waarin de medisch adviseur van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zich slechts een mening vormt over het handelen van de aangesproken hulpverlener een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek tussen de medisch adviseur en de (ex-)patiënt niet tot stand komt. Het geven van een advies, aan de hand van het medisch dossier en zonder de patiënt te zien, over de vraag of een geneeskundige behandeling volgens de regels van de geneeskunst is verlopen, is geen handeling op het gebied van de geneeskunst. Evenmin is sprake van een beoordeling van de gezondheidstoestand van de patiënt of van diens medische begeleiding als bedoeld in artikel 7:446, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek, zodat de bepalingen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst ook niet van overeenkomstige toepassing zijn. Een en ander betekent dat de patiënt niet een inzagerecht kan ontlenen aan artikel 7:456 van het Burgerlijk Wetboek, noch aan artikel 7:464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Beschouwingen

Jammer is nog wel dat in de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing geen uitspraak deed over artikel 6 EVRM als mogelijk recht om medische gegevens zonder toestemming in te zien. Betekent dit dat het artikel buiten rechte geen gelding heeft? Het lijkt een logische conclusie gezien het feit dat het artikel ziet op een ‘fair trial’ ten overstaan van de rechter en dus niet per definitie ziet op buitengerechtelijke procedures.

Ook in zijn beschikking nam de Hoge Raad de korte weg door geen enkel woord te besteden aan artikel 8 EVRM noch aan artikel 15 AVG als mogelijke grondslagen voor inzage in het medisch advies van de medisch adviseur van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Bijgevolg heeft de Hoge Raad evenmin iets kunnen zeggen over artikel 6 EVRM dat in het kader van een belangenafweging zou kunnen prevaleren ten opzichte van het privacybelang … of niet. Herhaald zij dat artikel 6 EVRM ziet op een ‘fair trial’ ten overstaan van de rechter en dus niet per definitie ziet op buitengerechtelijke procedures.

De uitspraken brengen al met al verheldering maar klip en klaar is het nog niet.

Heeft u hier vragen over? Neem dan contact op met één van onze specialisten Gezondheidsrecht.