Gevolgen van de afschaffing van het melkquotum

FrieslandCampina meldde daags voor de jaarwisseling dat zij haar leden gaat stimuleren de melklevering tijdelijk niet te laten toenemen, omdat de verwerkingscapaciteit vanaf januari tot medio februari 2016 ontoereikend zou zijn. Bij een melklevering die gelijk of lager is dan de melkproductie in de vergelijkingsperiode van 13 december tot en met 27 december 2015 ontvangt de melkveehouder een vergoeding over de geleverde melk van 2,00 euro per 100 kilo melk. De tijdelijke maatregel is ingegaan op vrijdag 1 januari 2016 en loopt tot en met donderdag 11 februari 2016. Vrijwel direct na aankondiging van de maatregel grepen melkveehouders naar de rekenmachine om te berekenen wat voor hen financieel de beste optie was: de bonus (met als gevolg dat melk in de mestput verdwijnt) of (toch) meer leveren dan in de vergelijkingsperiode. Indien een melkveehouder besluit toch meer te gaan leveren dan in de vergelijkingsperiode is FrieslandCampina verplicht (ook) deze extra liters af te nemen.

Het enorme melkaanbod kan worden teruggevoerd op de afschaffing van het systeem van de melkquota, dat in 1984 is ingevoerd omdat er (ook) destijds sprake was van een overschot aan melkproducten. Vanwege de toenemende vraag naar melkproducten is het systeem van de melkquota ter discussie komen te staan. Via de zogenoemde “zachte landing”, de verhoging van het melkquotum in kleine stappen, is het systeem van de melkquota op 1 april 2015 helemaal afgeschaft. Het gevolg is dat het melkaanbod enorm is gestegen en dat de melkprijs die de boeren betaald krijgen aanzienlijk is gedaald. Circa 2 jaar geleden lag de melkprijs nog rond de 40 cent per liter. Thans bedraagt de melkprijs circa 30 cent per liter. Deskundigen voorspellen dan ook dat vele melkveehouderijen in de financiële problemen gaan komen en dat een derde van de melkveehouderijen zal gaan verdwijnen. Zo bezien staat de afschaffing van het systeem van de melkquota op gespannen voet met (in ieder geval) één van de doelen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (artikel 39 VWEU), te weten “het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking,  met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn.”

Een van de gevolgen van het afschaffen van het melkquotum is dat veel boeren hun productiecapaciteit willen vergroten. Oud-staatssecretaris van Economische Zaken Sharon Dijksma plakte hier het etiket “industrialisatie van de Nederlandse melksector” op. Daarom introduceerde zij de “grondgebonden groei” van veehouderijen. Melkveehouderijen kunnen groeien mits de extra mest die wordt geproduceerd geplaatst kan worden op eigen grond of wanneer de extra mest volledig wordt verwerkt. Bedrijven met een klein mestoverschot mogen kiezen hoe ze van hun overschot afkomen: via mestverwerking of via extra grond om daar mest uit te rijden. Bedrijven met een groter mestoverschot moeten een kwart van hun mesttoename via extra grond opvangen. Voor intensieve veehouderijen is dit de helft van hun mesttoename. Deze regels staan in de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij, die op 1 januari 2016 in werking is getreden. Deze regels zullen op een later moment worden opgenomen in de Wet grondgebonden groei melkveehouderij.

Juridisch interessant is de vraag hoe de grondgebonden groei van melkveebedrijven  zich verhoudt tot één van de doelen van de Europese Unie, namelijk het creëren van een ruimte zonder binnengrenzen, waarin het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal verzekerd is. In de Nota van toelichting bij de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij wordt opgemerkt dat de regeling een belemmering kan opleveren voor het vrije handelsverkeer met andere lidstaten en dat invoer onder omstandigheden kan worden bemoeilijkt. Tevens kan de maatregel een belemmering opleveren voor de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten. In beginsel is de maatregel dan ook verboden. Echter kan de maatregel met een beroep op de zogenaamde rule of reason worden toegestaan. In dit geval wordt de maatregel (grondgebonden groei van melkveehouderijen) gerechtvaardigd door het belang van de maatregel voor het milieu en duurzaamheidsdoelen. Juridisch het meest voor discussie vatbaar is de vraag of deze maatregel ook proportioneel is in verhouding tot het daarmee te dienen algemeen belang (het belang van het milieu en duurzaamheidsdoelen). De regering is van oordeel dat dit het geval is. De maatregel zou immers niet verder gaan dan noodzakelijk om te borgen dat de nationale duurzaamheidsdoelen worden bereikt.

Voor groei moet de melkveehouder daarnaast over voldoende fosfaatrechten beschikken. De introductie van de fosfaatrechten is een nieuw systeem om de toename van de hoeveelheid fosfaat (bestanddeel van mest) van melkvee te begrenzen. Voor elk melkveebedrijf zal een maximaal per jaar te produceren hoeveelheid fosfaat worden vastgesteld. Die vastgestelde hoeveelheid zal in de vorm van fosfaatrechten aan het betreffende bedrijf worden toegekend. De fosfaatrechten zijn verhandelbaar en vertegenwoordigen een aanzienlijke waarde. Interessant is te bezien hoe de Knelgevallenregeling (een regeling om ondernemers te compenseren die onevenredig worden benadeeld) uitpakt. Wat zijn knelgevallen en op welke wijze worden deze knelgevallen gecompenseerd? Boerend Nederland wacht in spanning af.

 

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar