Wat zijn de mogelijke juridische gevolgen van de aanmoediging van minister Schippers het gesprek tussen arts en patiënt op te nemen?

Onlangs schreef minister Schippers (VWS) in een brief aan de Tweede Kamer dat zij het een goed idee vindt dat patiënt en arts samen afspreken het gesprek op te nemen.[1]  De brief is een vervolg op een toezegging die zij heeft gedaan tijdens het debat over het burgerinitiatief ‘Schriftelijke informatieplicht medische behandelingsovereenkomst’, waarbij zij had aangegeven te kijken naar de juridische status van geluidsopnames en het recht om gesprekken met de arts op te nemen.[2]

Volgens minister Schippers is het een goed idee omdat: “Goede zorg veronderstelt dat hulpverlener en patiënt het samen zo veel mogelijk eens zijn welke behandeling of welk onderzoek het beste past bij de situatie waarin de patiënt zich bevindt. Samen beslissen is het adagium. Daarvoor is het gesprek tussen hulpverlener en arts cruciaal.” Daarnaast schrijft zij dat de kans, met name bij emotioneel beladen gesprekken, groot is en dat de patiënt niet alles onthoudt wat is gezegd en het wenselijk is dat de patiënt dit op een later moment terug kan luisteren. “Op deze manier kan het de patiënt daadwerkelijker helpen bij het nemen van een beslissing over onderzoek of behandeling“, aldus minister Schippers. Wel geeft zij in dezelfde brief aan dat de patiënt zich aan bepaalde ‘spelregels’ dient te houden. Zo dient de opname uitsluitend voor persoonlijke doeleinden gebruikt te worden en is het wel zo fatsoenlijk als de patiënt zijn arts meldt dat hij het gesprek opneemt en hem om toestemming vraagt, alhoewel dit niet verplicht is. Tot slot geeft zij aan dat expliciete toestemming van de arts vereist is indien de patiënt de opname openbaar zou willen maken of zou willen delen met meerdere personen, aangezien in dat geval de Wet Bescherming Persoonsgegevens van toepassing is.[3]

Mijns inziens blijkt uit voornoemde brief dat de minister de patiënt in dezen graag wil ondersteunen, maar geeft zij niet expliciet weer wat de mogelijke juridische gevolgen voor de arts kunnen zijn. In de brief gaat de minister namelijk in op het feit dat een dergelijke opname kan worden ingebracht als bewijs in een civiele zaak, maar geeft zij tegelijkertijd aan dat zij niet in het oordeel treedt in hoeverre geluidsopnamen bij een procedure voor de rechter zijn toegestaan, “dat is aan de rechter“, aldus de minister. Zij merkt daar nog over op: “In het civiele recht kan bewijs worden geleverd door alle middelen en is de rechter vrij in de waardering ervan. Het is daarom afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de rechter een opname van een gesprek tussen patiënt en arts als bewijs toelaat en hoe de rechter dit waardeert.” Verderop in de brief geeft de minister weer dat bezwaar van een arts, in het geval zonder toestemming een opname wordt gebruikt in een civiele procedure, alleen dan wordt gehonoreerd als het gaat om bijkomende omstandigheden die rechtvaardigen dat er sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van een arts[4], te weten indien het geen zakelijk gesprek betreft of de opnemer geen partij is[5]. Alhoewel hier uit blijkt dat een bezwaar van een arts niet zomaar zal worden gehonoreerd trekt de minister toch de conclusie dat het een verstandige keus is om geluidsopnames te gebruiken als hulpmiddel, indien partijen zich houden aan de spelregels.  Dat ook de tuchtrechter onrechtmatig opgenomen geluidsopnames kan toestaan als bewijsmiddel wordt slechts in enkele zinnen door de minister benoemd.[6]

Naar mijn mening worden de juridische risico’s voor de arts – en de hulpverlener in de zin van Boek 7, titel 7, afdeling  5, van het Burgerlijk Wetboek (ook wel WGBO) – van het toejuichen van het opnemen van geluidsopnames onvolledig en te lichtzinnig weergegeven in de brief door de minister. Uit het feit dat zowel de civiele rechter als de tuchtrechter onrechtmatig verkregen opnames als bewijs (kunnen) toelaten in een procedure, blijkt wel dat de arts momenteel al een risico loopt in een juridische procedure om geconfronteerd te worden met heimelijk opgenomen gesprekken. Van dit risico dient de hulpverlener zich momenteel al goed bewust te zijn. Nu de minister het opnemen van arts-patiënt gesprekken toejuicht, waarbij toestemming van de arts wel wenselijk wordt geacht, is het waarschijnlijk dat artsen in de toekomst meer geconfronteerd zullen worden met opnames in een civiele- of tuchtrechtelijke procedure, al dan niet opgenomen met toestemming van de arts. Ik hoor u denken, als de arts toestemming heeft gegeven is er niets aan de hand, maar stel dat de patiënt delen van een gesprek heeft opgenomen, (waarbij essentiële aspecten ontbreken) of in het kader van een latere juridische procedure is gaan ‘knutselen’ met de opname? Hoe bewijs je dit als arts? Wordt het daardoor niet noodzakelijk voor de arts, bij gesprekken waar de arts toestemming heeft gegeven, een kopie van het gesprek op te slaan in het medisch dossier? En gaat het opnemen van de consulten een invloed hebben op de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt? Is het niet wenselijker om de patiënt erop te wijzen als arts dat zij altijd terug mogen komen, indien zij iets niet begrepen hebben?

Alhoewel ook de KNMG van mening is dat opnames een meerwaarde kunnen zijn[7], zie ik ook een tegenstrijdigheid met een ander standpunt van de KNMG, namelijk dat artsen meer open moeten zijn naar de patiënt na incidenten[8]. Hilde van der Meer geeft weliswaar aan dat artsen best mogen aangeven dat er iets fouts is gegaan en dat dit nog geen erkenning van aansprakelijkheid is, maar begrijpt de patiënt dit ook?  Iets fouts “gegaan” en iets fouts “gedaan” klinkt bijna hetzelfde. Zullen patiënten een dergelijk gesprek, waar de arts in gaat op een incident, in de toekomst meer opnemen en de door de arts gebruikte woorden als aanleiding zien om een civiele – of tuchtrechtelijke procedure te starten? Dat zullen we moeten afwachten.  Feit is wel dat over het opnemen van arts-patiënt consulten niet te lichtzinnig gedacht moet worden. Mijns inziens liggen er meer juridische consequenties op de loer dan nu in de media naar voren is gebracht.

Mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek

[1] Kamerstuk. Kamerbrief 10 maart 2016, mw. drs. E.I. Schippers, kenmerk 913642-146919-MC.

[2] Handelingen II 2014/15, nr. 42, item 4, p 15 en 16.

[3] artikel 8 Wet Bescherming Persoonsgegevens.

[4] HR 16 oktober 1987, NJ 1988/850 (Driessen/Van Gelder).

[5] Rechtbank Midden-Nederland 5 juni 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2685.

[6] Zie bijvoorbeeld? RTG Eindhoven 26 februari 2015, ECLI:NL:TGZREIN:2015:16, CTG 12 augustus 2014, ECLI:NL:TGZCTG:2014:305 en CTG 25 januari 2011, ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG0884.

[7] Medisch Contact, Schippers: ‘Geluidsopnames consult goed idee’, Eva Nyst, 10 maart 2016.

[8] Interview Hilde van der Meer: “Meeleven is niet hetzelfde als een fout erkennen”, maart 2016, http://www.knmg.nl/Dossiers-9/Interview-1/153319/Meeleven-is-niet-hetzelfde-als-een-fout-erkennen.htm

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar