De gebruiksverplichting van de huurder, of toch niet?

Indien een huurder zijn gebruiksverplichting niet nakomt, door bijvoorbeeld vroegtijdig het gehuurde te verlaten, kan de verhuurder naar de rechter stappen. De verhuurder kan dan door middel van een kort geding een vordering tot nakoming onder verbeurte van dwangsommen in stellen. Indien de verhuurder de huurder in de ingebrekestelling heeft gewaarschuwd voor het inroepen van het boetebeding, kan de verhuurder ook betaling van de boete vorderen. Lees verder >>

De gebruiksverplichting van de huurder, of toch niet? De huurder van een bedrijfsruimte kan op basis van de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden een gebruiksverplichting hebben voor de hele duur van de huurovereenkomst. In de standaard algemene bepalingen van de ROZ is bijvoorbeeld vermeld dat de huurder het gehuurde gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst dient te gebruiken conform de contractuele bestemming.

Indien een huurder zijn gebruiksverplichting, ook na ingebrekestelling, niet nakomt, door bijvoorbeeld vroegtijdig het gehuurde te verlaten, kan de verhuurder naar de rechter stappen. De verhuurder kan dan door middel van een kort geding een vordering tot nakoming onder verbeurte van dwangsommen in stellen. Indien de verhuurder de huurder in de ingebrekestelling heeft gewaarschuwd voor het inroepen van het boetebeding, kan de verhuurder tevens betaling van de boete vorderen.

Uit rechtspraak volgt dat de voorzieningenrechter in beginsel een vordering van de verhuurder tot nakoming van de gebruiksverplichting toewijst. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg maakte een uitzondering op deze algemene regel. De casus is in het kort als volgt. De huurder huurt een winkelruimte op de benedenverdieping van een winkelcentrum, waarin hij een broodjeszaak exploiteert. In verband met de leegloop van het winkelcentrum als gevolg van een grote grondverzakking, heeft de huurder in de zomer van 2013 de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2013. De verhuurder stemt niet met de huuropzegging in. De huurder verlaat het gehuurde medio september 2013. De verhuurder stelt een vordering tot nakoming in, alsmede betaling van de boete.

De voorzieningenrechter concludeert dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de huurder te houden aan zijn gebruiksverplichting. Bovendien zou hij minimaal twee a drie weken nodig hebben om die herexploitatie organisatorisch voor te bereiden, terwijl hij het gehuurde weer leeg dient op te leveren per 31 december 2013. Volgens de voorzieningenrechter kan niet van de huurder worden gevergd dat hij de winkel nog voor zo’n beperkte tijd heropent. Tevens was vordering inzake de contractuele boete eveneens afgewezen.

Voor beide partijen is het in een dergelijk geval verstandig om op voorhand deskundig advies in te winnen. De (financiële) gevolgen zijn namelijk voor beide partijen groot. Ook kan een mogelijk toepasselijke boetebepaling een belangrijke rol spelen bij de afweging. In hoeverre in de gegeven situatie een gebruiksverplichting ook echt als een verplichting wordt aangemerkt hangt aldus af van de concrete omstandigheden van het geval. Ook kunnen er  mogelijk andere manieren zijn om verdere schade te voorkomen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Anke Groffen of mr. Bart Poort, 040 23 80 600.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar