De dwangsom: een steunvordering die meetelt bij het faillissementsverzoek?[1]

steunvordering dwangsom

HTC Wallonie S.A. (HTC) is een Belgische vennootschap en zij heeft verzocht het Nederlandse bedrijf Turner Waste Intermediate B.V. (TWI) failliet te verklaren. HTC heeft namelijk een vordering op TWI en omdat TWI meerdere schulden onbetaald laat verkeert zij in een toestand te hebben opgehouden te betalen als bedoeld in art 1 Fw. De zogenaamde steunvordering is die van Vlaamse overheid en dat betreft dwangsommen.

Bij de Hoge Raad is aan de orde de vraag of een dwangsom, die is verbeurd aan de Vlaamse overheid, kwalificeert als een steunvordering in het kader van het faillissementsverzoek?

 Het faillissementsverzoek

Op grond van de faillissementswet kan een schuldenaar op twee manieren failliet worden verklaard, namelijk op eigen verzoek of op verzoek van één van zijn schuldeisers, wanneer summierlijk is gebleken dat de schuldenaar in een toestand verkeert dat hij/zij heeft opgehouden te betalen. [2]  Voor deze laatste categorie geldt het zogenaamde pluraliteitsvereiste: naast de vordering van de schuldeiser moet er altijd één andere (steun)vordering bestaan bij de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring.

Dwangsommen

In artikel 611 sub e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat dwangsommen, die vóór de faillietverklaring zijn verbeurd, niet in het passief van het faillissement worden toegelaten. Dit betekent dat een faillissementsaanvraag niet alléén kan worden gebaseerd op een vordering die betrekking heeft op dwangsommen. Maar daarvan is hier geen sprake, want los van de vordering van de Belgische overheid heeft ook HTC een vordering op TWI en is HTC de aanvrager van het faillissement.

In de wet is een dwangsom als steunvordering niet uitgesloten; in een arrest uit 1996 is al geoordeeld dat een dwangsom als steunvordering kan kwalificeren.[3] TWI ziet dit anders en meent dat de Hoge Raad in een arrest van 2014 teruggekomen zou zijn van haar eerdere arrest in 1996.[4] TWI stelt daarom cassatieberoep in.

Wat oordeelde de Hoge Raad?

De Hoge Raad wijdt er weinig woorden aan en oordeelt dat TWI er onterecht vanuit gaat dat de Hoge Raad met de uitspraak uit 2014 is teruggekomen van de eerdere uitspraak uit 1996. Die uitspraak geldt daarom dus nog steeds. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzet zich er niet tegen dat verbeurde dwangsommen kunnen dienen als steunvordering bij een faillissementsverzoek.

Conclusie

Met deze uitspraak bevestigt de Hoge Raad niet alleen de breedte van geldige steunvorderingen, maar handhaaft ook de consistentie met eerdere jurisprudentie ten aanzien van de invulling van het pluraliteitsvereiste. Dit is gunstig voor schuldeisers bij het aantonen van een steunvordering ten tijde van de faillissementsaanvraag.

[1] ECLI:NL:HR:2023:1569

[2] Art. 1 lid 1 Fw jo. Art. 6 lid 3 Fw.

[3] HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2146NJ 1997/640 (Verhees/Octrooibureau Zuid).

[4] HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681NJ 2014/407 (ABN Amro Bank/Berzona).

Heeft u vragen of wilt u een afspraak maken?