De dividenduitkering

Het jaar 2016 ligt achter ons, de boeken worden opgemaakt en de zwarte inkt vloeit rijkelijk. De economie trekt aan en uw B.V. deint mee op de golven. Misschien zit er dit jaar zelfs wel weer een dividenduitkering in. Doe dat vooral, dat maakt ondernemen leuk. Maar doe het wijs en trek lering uit de financieel mindere tijden die achter ons liggen.

Bij een dividenduitkering komt meer kijken dan vaak wordt gedacht, waarbij het risico van bestuurdersaansprakelijkheid op de loer ligt. De wet schrijft sinds 2012 een aantal stappen voor.[1] Zie dit als een handleiding, met name voor aandeelhouders die ook bestuurder zijn.

Een drietal momenten is belangrijk om u van een kritische blik te vergewissen: het moment waarop u de pet van aandeelhouder draagt en besluit dat er ruimte is om dividend uit te keren, het moment waarop u de pet hebt gewisseld voor die van bestuurder en het eerdere besluit goedkeurt en tot slot het moment waarop de uitkering daadwerkelijk wordt gedaan.

Als aandeelhouder dient u een beperkte balanstest uit te voeren. Dat betekent concreet dat de aandeelhoudersvergadering mag besluiten om dividend uit te keren voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die volgens de wet of statuten aangehouden moeten worden. Sla de statuten er eens op na: moet de vennootschap een bepaald percentage eigen vermogen aanhouden? En is de vennootschap gebonden aan een wettelijk minimum?

Het tweede moment is de goedkeuring door het bestuur van het besluit van de aandeelhoudersvergadering. Die goedkeuring wordt vaak impliciet gegeven door het doen van de daadwerkelijke uitkering (bijvoorbeeld door uitbetaling of boeking in de rekening-courant met de holding). Het uitgangspunt is dat het bestuur de dividenduitkering goedkeurt. Dat is slechts anders als het bestuur in redelijkheid kan voorzien dat na de uitkering de opeisbare schulden niet meer betaald kunnen worden. Het bestuur moet twee stappen nemen:

    1. De continuïteitsanalyse: het bestuur moet onderzoeken of de vennootschap in de nabije toekomst aan haar verplichtingen kan blijven voldoen. In ieder geval moet het bestuur één jaar vooruit kijken, maar die termijn is niet hard. Belangrijker is dat het bestuur alle verplichtingen die van belang kunnen zijn in zijn oordeel betrekt.
    2. De uitkeringsruimte/liquiditeitstest: het bestuur moet het maximaal uit te keren bedrag “berekenen”. Dat berekenen is meer een bedrijfseconomische inschatting dan harde wiskunde. Gebruik voor het bepalen van de (maximale) hoogte van de dividenduitkering de quick ratio en de operationele kasstroom. Houd daarbij ook rekening met voorzienbare (toekomstige) uitgaven als investeringen, aflossingsverplichtingen en bijzondere kostenposten.

Het risico van ondernemen is erin gelegen dat als de welvaartsgolven weer afnemen mindere tijden aanbreken en er noodgedwongen een curator aan boord komt. Die curator mag met the brilliance of hindsight achterom kijken. Als dan blijkt dat het bestuur had moeten voorzien dat het ondanks het ruime eigen vermogen niet verstandig was om het dividend uit te keren, bijvoorbeeld omdat een jaar na het aandeelhoudersbesluit de omstandigheden zijn veranderd, kan het zo zijn dat het bestuur aansprakelijk wordt gehouden voor het tekort in het faillissement. Wees dus kritisch. En als u twijfelt, neem dan contact op met Holla Advocaten om uw besluit te laten toetsen.

[1] In artikel 2:216 BW

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar