Collectieve schadevergoedingsactie vastleggen in de wet?

Op 23 oktober 2014 heeft de Raad voor de rechtspraak (hierna: ‘de Raad’) de minister van Veiligheid en Justitie (mr. I.W. Opstelten) negatief geadviseerd over het wetsvoorstel ‘Afwikkeling massaschade in een collectieve actie’.

Het wetsvoorstel voorziet in een wijziging van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken. De Raad onderkent weliswaar dat er een maatschappelijke behoefte om collectief schadevergoeding in geld te eisen in geval van massaschade, maar acht de thans voorgestelde procedure inefficiënt en onwerkbaar voor de rechterlijke macht.

Het voorstel is om in geval van massaschade te trachten onder begeleiding van een rechter tot een schikking te komen, via verschillende zittingen, tussentijdse deelbeslissingen, mediation, verplichte schikkingsvoorstellen en ingelaste periodes van verplicht overleg. Komen partijen er samen niet uit, dan kan de rechter de schade zelf begroten. Dit is dus een stok achter de deur voor het geval een van de partijen weigert mee te werken.

De Raad oordeelt dat de voorgestelde procedure ongewenste neveneffecten in het leven kan roepen – wegens onder meer de lange duur van de procedure – waardoor aan het doel ervan voorbij wordt geschoten. De Raad noemt een groeiende claimcultuur, een zodanige versterking van de positie van gedupeerden dat bedrijven in de hoek worden gedreven en ‘blackmail settlements’ (de aangeklaagde partij betaalt om van het gezeur af te zijn) of  ‘uitrookscenario’s’ (de eisers worden op dermate hoge kosten gejaagd dat ze de strijd opgeven).

Daarnaast acht de Raad de procedure onwerkbaar voor de rechterlijke macht. Het voorstel gaat ervan uit dat belangenorganisaties van gedupeerden aan allerlei eisen moeten voldoen alvorens een zaak kan worden aangespannen. De rechter zou moeten toetsen of aan alle eisen is voldaan. De Raad oordeelt dat de rechter daartoe niet in staat is, omdat rechters geen toezichthouders zijn, maar geschillenbeslechters.  Bovendien acht de Raad de kans op een succesvolle afloop van de procedure klein, temeer als partijen het oneens blijven over de hoogte van de schadevergoeding. De rechter heeft dan onvoldoende instrumenten om een regeling tot afwikkeling van de schade vast te stellen. De Raad voorspelt dan een eindeloos, voor de rechter onbeheersbaar gevecht, dat op niets uitloopt.

De Raad adviseert de minister om een breed samengestelde, uit (praktijk)deskundigen bestaande werkgroep op te richten die de opdracht krijgt na te denken over (een) alternatieve procedure(s). Het in de wet vastleggen van een collectieve schadevergoedingsactie zal dus nog wel even op zich laten wachten.

Wilt u meer informatie over de (on)mogelijkheid tot het indienen van een massaclaim, neem dan contact op met Marloes Hulstein, +31 40 23 80 682.

Klik hier voor de bron van dit artikel.

 

 

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar