Berisping: Accountant had klant moeten wijzen op fraude(risico)!

Op 30 juni 2014 heeft de Accountantskamer [1] een accountant berispt omdat deze heeft nagelaten de klant te waarschuwen voor de risico’s op fraude. Het gevolg? De klant zit met een miljoenenstrop. Het oordeel van de Accountantskamer is niet mals: de accountant is tekortgeschoten bij de uitvoering van de controlewerkzaamheden en krijgt een berisping opgelegd.

De casus:
Een nieuwe administrateur ontdekt – al tijdens de sollicitatieprocedure – lacunes in de administratie van haar toekomstige werkgever. Tijdens de daaropvolgende eerste werkdagen ontdekt zij vervolgens forse tekorten (circa € 20.000,-) in de kasboekhouding. Op het moment dat zij het hoofd administratie met haar ontdekkingen confronteert, geeft het hoofd administratie aan “het wel terug te zullen betalen”. Wanneer zij verder de boekhouding induikt, komt zij tot de conclusie dat er in de periode 2005 tot 2011 niet “slechts” enkele tienduizenden euro’s zijn ontvreemd maar miljoenen euro’s. In de tussentijd meldt het hoofd administratie zich ziek. Nadat de bestuurder van de vennootschap van de ontdekking op de hoogte is gesteld, wordt aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking en witwassen. Het hoofd administratie is inmiddels veroordeeld tot een onvoorwaardelijke celstraf van drie jaar en een (civiele) veroordeling tot betaling van € 2,5 miljoen aan de vennootschap.

Hoe heeft het hoofd administratie zo kunnen handelen?
Het hoofd administratie beschikte over de zogenaamde smartcard met bijbehorende pincode. Daarnaast beschikte hij over alle bevoegdheden binnen het (boekhoud)programma “Money Manager”. Hierdoor was het bijvoorbeeld mogelijk in plaats van een betaling aan een crediteur te verrichten deze betaling op zijn privérekening te verrichten en vervolgens intern aan te geven dat de betaling aan de crediteur was voldaan. Het bovenstaande roept uiteraard veel vragen op, zoals: had de accountant – die controlewerkzaamheden heeft verricht – de fraude niet moeten opmerken? Deze vraag is uiteindelijk – in een zogenaamde klachtprocedure – voorgelegd aan de Accountantskamer te Zwolle.

Klachtprocedure:
De klacht komt er in het kort op neer dat de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat deze de fraude van de voormalig hoofdadministrateur van de vennootschap had moeten en kunnen constateren en melden bij de organen belast met governance: in dit geval het bestuur. De Accountantskamer overweegt vervolgens dat het feit dat achteraf blijkt dat de door de accountant gecontroleerde gegevens sprake is geweest van fraude dan wel dat de accountant deze fraude niet op het spoor is gekomen in algemene zin, niet betekent dat de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

In dit geval oordeelt de Accountantskamer echter dat vaststaat dat het hoofd administratie heeft kunnen frauderen, omdat hij beschikte over de smart card inclusief pincode en alle bevoegdheden binnen het programma Money Manager. De optelsom van deze taken en bevoegdheden verhoogt het frauderisicofactor. Dit frauderisico is door de accountant weliswaar geconstateerd maar de accountant heeft ten onrechte geen gerichte (aanvullende) controlewerkzaamheden uitgevoerd terwijl dit wel uit de aard van een wettelijke controleopdracht voortvloeit. Deze (aanvullende) controlewerkzaamheden waren echter cruciaal om te kunnen beoordelen of het frauderisico zou leiden tot een afwijking van materieel belang en – in het verlengde daarvan – voor het door de accountant aan de vennootschap te richten advies ter verlaging van het geconstateerde risico.

Kortom, de Accountantskamer is van oordeel dat de accountant bij de uitvoering van de controlewerkzaamheden in die zin te kort is geschoten dat de accountant na constatering van een frauderisicofactor niet aan de bel heeft getrokken. Volgens de Accountantskamer had de accountant enerzijds – mede gezien de kenbare belangen van de vennootschap – dit geconstateerde frauderisico indringend moeten communiceren met de bestuurder van de vennootschap en anderzijds daarop gerichte aanvullende controlemaatregelen moeten verrichten. Het gevolg van de vastgestelde verzuimen van de accountant betekent dan ook dat de goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen een deugdelijke grondslag ontberen.

Schadevergoeding?
Het is de vraag of de vennootschap naar de civiele rechter stapt om de schade op de accountant te verhalen. De civiele rechter dient namelijk te bepalen of de accountant schadeplichtig is op grond van bijvoorbeeld wanprestatie of onrechtmatige daad. Hierbij geldt: de civiele rechter is niet gebonden aan de uitspraak van de Accountantskamer, maar een sterke aanwijzing is het wel!

Conclusie:
Het is primair de verantwoordelijkheid van de bestuurder om de algemene organisatie en de interne beheersingssystemen zo in te richten dat het frauderisico – zoveel als mogelijk – wordt ingeperkt.
Dat neemt niet weg dat, wanneer u als oplettend (financieel) bestuurder, administrateur of (opvolgend) accountant worden geconfronteerd met fraude, u niet (ook) te dient te controleren of de accountant zijn/ haar werkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd. Vragen die gesteld moeten worden zijn:

“Had de accountant de fraude moeten en kunnen constateren en / of waren er bepaalde frauderisicofactoren waarop de accountant u had moeten wijzen”.

Tot slot: mocht de accountant zijn werkzaamheden niet naar behoren hebben uitgevoerd, wacht niet te lang; de verjaringstermijn voor klachten bij de Accountantskamer is drie jaar vanaf het moment dat u op de hoogte bent of kunt zijn van een te beklagen handelen of nalaten van een accountant!

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Pim van de Goor, 040 23 80 643
[1] ECLI:NL:TACAKN:2014:53 (13/2940 Wtra AK)

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar