Dilemma’s hulpverlener

Behandelplicht, behandelrecht of behandelmogelijkheden?

De patiënt beslist of tot een geneeskundige behandeling wordt overgegaan. Het verlenen van toestemming voor de behandeling maakt deel uit van zijn zelfbeschikkingsrecht. Er kan dus niet worden gesproken van een behandelrecht van de hulpverlener (bij gegeven toestemming). Een voorbeeld van een situatie waarin enerzijds duidelijk het zelfbeschikkingsrecht naar voren komt, maar anderzijds ook de dilemma’s die het met zich kan brengen, betreft die situatie waarin een wilsbekwame zwangere vrouw een keizersnede weigert, ook al heeft dit tot gevolg dat de ongeboren vrucht komt te overlijden. Voor hulpverleners is dit vaak niet te begrijpen, maar de vrouw dwingen tot medewerking lijkt geen optie.

Heeft de hulpverlener wel een behandelplicht? Het antwoord daarop luidt in beginsel bevestigend: het is de plicht van de hulpverlener om hulp te bieden. Het doel van de behandelplicht is de patiënt ervan te verzekeren dat hij niet verstoken blijft van een noodzakelijk geachte en grondwettelijk verankerde – artikel 22 Gw bepaalt dat de overheid maatregelen moet treffen ter bevordering van de volksgezondheid – levensbehoefte. Het meest duidelijk blijkt de plicht tot behandelen dan ook in geval van een noodsituatie; indien de hulpverlener iemand opzettelijk in hulpeloze toestand laat of indien hij nalaat hulp te verlenen in het geval hij getuige is van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, is hij ingevolge artikel 255 en artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar.

Toch kent de behandelplicht ook zo zijn grenzen: de hulpverlener is als professional autonoom en niet geïndiceerde risicovolle behandelingen hoeft hij niet te verrichten, ook al is het de wens van de patiënt. Opnieuw kan een voorbeeld van mogelijke dilemma’s op dit punt worden ontleend aan de situatie waarin een zwangere op een bepaalde manier uitvoering wenst te geven aan de begeleiding van haar bevalling, een situatie die recent ter beoordeling voorlag aan de voorzieningenrechter Zeeland-West-Brabant.

De zwangere vrouw in kwestie wenste een bevalling in het ziekenhuis, maar begeleiding door een eerstelijnsverloskundige die geen samenwerkingsovereenkomst had met het ziekenhuis. Ook wilde de vrouw geen continue CTG-bewaking. De vrouw had negatieve ervaringen overgehouden aan haar eerdere bevalling. Het ziekenhuis weigerde zijn medewerking, omdat de vrouw eerder was bevallen met een keizersnede en de tweede, aanstaande, bevalling dusdanig risicovol werd ingeschat dat een bevalling onder verantwoordelijkheid en begeleiding van een gynaecoloog met continue CTG-registratie geïndiceerd werd geacht.

Hierop startte de zwangere vrouw een voorzieningenprocedure, waarin zij werd bijgestaan door de eerstelijnsverloskundige, Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Geboortebeweging. Gevorderd werd – onder meer – een verplichte medewerking van het ziekenhuis aan de door de vrouw gewenste begeleiding van de aanstaande bevalling. Zonder succes echter.

De voorzieningenrechter overwoog – kort samengevat – dat een hulpverlener een professionele autonomie heeft die met zich brengt dat in een geval als het onderhavige voor een verplichte medewerking aan de wens van de zwangere geen plaats is. Dit is anders indien weigering van de behandeling in strijd is met de medisch professionele standaard en een redelijk handelend hulpverlener in redelijkheid niet tot een weigering van behandeling kan komen, maar daarvan was in dit geval geen sprake, aldus de voorzieningenrechter. Het ziekenhuis had uitvoering gegeven aan de geldende richtlijnen.

Het voorgaande beschouwd, kan worden geconcludeerd dat een hulpverlener geen behandelrecht heeft, ook geen behandelplicht, maar met inachtneming van zijn bekwaamheid en bevoegdheden wel behandelmogelijkheden en een professionele autonomie. De mogelijkheden in een concreet geval en die professionele autonomie geven enerzijds uiting aan de medisch professionele standaard en anderzijds richting aan de ruimte van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt.

Ik realiseer me wel dat ik mijn conclusie in twee zinnen kan vatten, maar dat de praktijk uiteraard complexer is. Dit geldt te meer in gevallen van geboortezorg waar het fysiologisch proces niet zonder meer als ziekte kan worden bestempeld en een vrouw zich terdege kan en wil voorbereiden op de dag. Belangrijk is dan ook dat er van meet af aan een goede communicatie op gang komt en de vrouw van meet af aan weet wat zij wel en niet kan verwachten (zie ook Leidraad ‘Verloskundige zorg buiten richtlijnen’, NVOG/KNOV: Utrecht, november 2015).

Dit artikel is geschreven door Rolinka Wijne, medewerker Wetenschappelijk Bureau van Holla Advocaten.

Rolinka Wijne, Wetenschappelijk Bureau

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar