Baanbrekende arresten in het faillissementsrecht

Onlangs heeft de Hoge Raad twee baanbrekende arresten gewezen. In januari 2015 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag of artikel 39 Faillissementswet – dat de huuropzegging tijdens faillissement behandelt – geldt voor zowel roerende als onroerende zaken. Daarnaast geeft de Hoge Raad in februari 2015 antwoord op de vraag of een faillissement van de VOF automatisch het faillissement van de vennoten tot gevolg heeft.

Geldt artikel 39 Faillissementswet zowel voor roerende als onroerende zaken?

Eerst de eerste vraag. Indien de huurder failliet is, kan op grond van artikel 39 van de Faillissementswet zowel de curator als de verhuurder de lopende huurovereenkomsten opzeggen. Gedurende de opzegtermijn mag de curator het gehuurde blijven gebruiken.

Vanaf de datum van faillissement zijn de huurpenningen een zogenaamde boedelvordering: de verhuurder krijgt een rechtstreekse aanspraak op de boedel. Deze vorderingen worden onmiddellijk door de curator voldaan mits er vol­doende actief in de boedel aanwezig is. Dit geldt echter niet voor de achterstallige huurpenningen van vóór de datum van faillissement: dit is een concurrente vordering (zonder enige voorrang). Over één ding bestond onduidelijkheid: had artikel 39 Faillissementswet alleen betrekking op on­roerende of ook op roerende zaken? Het antwoord van de Hoge Raad was kort en duidelijk: artikel 39 Faillissements­wet geldt zowel voor roerende als onroerende zaken.

Conclusie

De curator en de verhuurder van roerende zaken waar-onder leasemaatschappijen (operational lease) dienen hiermee rekening te houden: de curator omdat bij het niet opzeggen van de huurovereenkomst de boedelvordering oploopt en de verhuurder omdat hij meer kans op uitbeta­ling heeft doordat zijn vordering tijdens de opzegtermijn als boedelvordering wordt gekwalificeerd.

Heeft het faillissement van de VOF automatisch het faillissement van de vennoten tot gevolg?

Dan de tweede vraag. Een VOF is een samenwerkings­overeenkomst tussen vennoten zonder rechtspersoonlijk­heid maar met een afgescheiden vermogen. De vennoten van de VOF zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de VOF. Lange tijd werd (ook door de Hoge Raad) aangenomen dat het faillissement van een VOF ook automatisch het faillissement van de vennoten inhield. De Hoge Raad is in februari 2015 teruggekomen van dit standpunt. De Hoge Raad geeft aan dat:

(1) de faillissementswet geen aanleiding geeft voor een automatisch faillissement van de vennoten;

(2) dat het verzoekschrift tot faillietverklaring niet een ver­zoek tot faillietverklaring van deze vennoten inhoudt;

(3) het uitspreken van het faillissement van de vennoten in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM): het recht op een eerlijk proces;

(4) per vennoot de faillissementstoestand moet worden onderzocht: het kan zo zijn dat de vennoot over vol­doende privévermogen beschikt of – in tegenstelling tot de VOF – een verrekenbare vordering op de aanvrager heeft; en

(5) een en ander niet strookt met de regeling die geldt voor de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP): de vennoten kunnen worden toegelaten tot de WSNP. Indien zij daartoe een verzoek indienen, dan krijgt dat verzoek voorrang boven de faillietverklaring.

Conclusie

Indien de aanvrager van een faillissement ook het faillissement van de vennoten beoogt dan dient dit specifiek uit het verzoekschrift te blijken. De automatische koppeling is verleden tijd.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar