Aansprakelijkheid bewaarnemer

Garage als bewaarnemer aansprakelijk voor schade als gevolg van brandstichting.

De eigenaar van een kampeerauto biedt deze voor onderhoud aan een professionele garage (genaamd ATU) aan. Hij heeft de auto daartoe geparkeerd op het parkeerterrein van de garage. Na onderhoud te hebben verricht, plaats ATU de auto weer op haar parkeerplaats. De bedoeling is dat de klant de auto de volgende dag ophaalt. ’s Nachts gaat de auto de brand verloren, vermoedelijk door brandstichting.

De kantonrechter heeft de vordering tot vergoeding van de schade van de eigenaar afgewezen. Maar het Hof Den Bosch oordeelt anders en houdt de garage aansprakelijk voor de schade. De beslissing komt er in de kern op neer dat de bewaarnemer, dat is de garage, niet alleen aansprakelijk is voor schade die eigen fouten (‘schuld’) wordt veroorzaakt, maar ook voor schade die is veroorzaakt door omstandigheden die de garage kunnen worden toegerekend. En toerekening heeft niet zondermeer met schuld te maken, maar kan ook gebeuren op grond van de ‘verkeersopvattingen’ ofwel de opvattingen in het maatschappelijk verkeer.

Volgens het Hof brengen de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen in dit geval met zich mee dat de brandstichting wordt toegerekend aan de garage. Daarvoor oordeelt het Hof van belang:

  • het gaat om schade toegebracht door een derde, de brandstichter, een van buiten komend onheil, waaraan partijen part noch deel hebben gehad. De brandstichting vond ’s-nachts plaats, dus op een moment dat op de camper feitelijk geen toezicht werd gehouden.
  • Het hof heeft, bij het beantwoorden van de vraag voor wiens rekening schade toegebracht door een derde komt, gelet op de regel dat bij een relatie tussen een professional en een consument in beginsel het risico werd gelegd bij de professional, hier ATU. Van een professional kan immers een doeltreffende zorg worden verwacht. Zo had ATU kunnen aandringen op het ophalen van de camper na de werkzaamheden aan het einde van de dag, althans had appellant erop moeten wijzen dat zij niet kon instaan voor brand (of diefstal) bij onbewaakte stalling (en zo het risico verleggen op appellant).
  • Het Hof let voorts op de rechtspraak waarbij het risico wordt gelegd bij de persoon die ervoor kiest zijn auto de avond te voren al bij de garage af te leveren met de mogelijkheid van diefstal rekening behoort te houden. Hier kan weliswaar worden gezegd dat de eigenaar van de camper ervoor heeft gekozen deze niet aan het einde van de dag op te halen, maar daar staat tegenover dat dit is geschied in onderling overleg met ATU, dat ATU derhalve de zorg voor de camper op zich heeft genomen en dat het de keuze van ATU is geweest de camper niet in de garage te stallen maar op open terrein, met het risico van brandstichting en diefstal. Dat binnen de garage slecht beperkt ruimte was, is een omstandigheid die voor risico van ATU dient te komen. Het verweer van ATU dat de eigenaar zou hebben ingestemd met plaatsing buiten tijdens de nacht en niet hebben geëist dat zijn auto binnen zou worden gestald, gaat niet op. De auto bevond zich in de macht van ATU en zij diende de brandstichting te voorkomen, althans het risico te dragen dat een derde brand zou stichten.
  • Het hof neemt voorts in overweging dat het van algemene bekendheid is dat het risico van brandstichting in auto’s die langs de openbare weg staan geparkeerd (althans op de open, voor een ieder toegankelijke parkeerplaats zoals bij een garagebedrijf als dat van ATU) zich de laatste jaren met enige regelmaat verwezenlijkt. Dit risico is voldoende groot om daarmee rekening te houden. Beide partijen hadden daarmee rekening kunnen houden, maar de eigenaar van de camper mag ervan uitgaan dat ATU het risico op zich neemt in de periode dat zij de zorg voor de camper heeft. De stelling dat de eigenaar anders dan ATU, weet had van geruchten over een brandstichter, doet het risico niet verschuiven. Ook ATU kende dat risico, dat immers algemeen bekend is. Dit zal alleen anders zijn als de eigenaar over specifieke kennis zou beschikken over de brandstichter, maar geruchten zijn onvoldoende. Aan de zorgplicht van ATU als bedoeld in artikel 7:602 BW — het in geobjectiveerde zin toereikende zorg besteden aan de belangen van de opdrachtgever/ bewaargever — is in zoverre niet voldaan dat ATU in de betreffende nacht geen toezicht heeft gehouden op de camper en het risico op brandstichting kennelijk voor lief heeft genomen.
  • Partijen hebben zich niet uitgelaten over de mogelijkheid van verzekering van de inboedel tegen brand. Het hof kan dit aspect dan niet in de beoordeling betrekken. Wel is aannemelijk dat de schade aan de camper verzekerbaar is, voor zowel de klant als het garagebedrijf. Zo was ook hier het geval. Anderzijds kan een garagehouder ervan uitgaan dat de klant geen kostbare zaken in de camper achter laat. Daarvan is hier geen sprake. Het betreft spullen die veelal in een camper worden opgeborgen, die bovendien van geringe waarde zijn. De kostbaarste items hier zijn de luifel (€ 750), het fietsenrek (€ 400), vier tennisrackets € 400), tennisschoenen (€ 300), een tent (€ 300) en vliegers (€ 200). Het gaat bovendien om zaken die veelal in een camper worden opgeborgen.
  • Ten slotte kan, naar het oordeel van hof, geen gewicht worden toegekend aan de andere genoemde omstandigheid zoals dat ATU nog niet eerder geconfronteerd is geweest met vandalisme, dat ook andere garagebedrijven niet beschikken over afgesloten parkeerplaatsen en dat er geen norm bestaat die een garagist verplicht een gerepareerde auto binnen te stallen.

Let dus op: bewaart U andermans zaken, dan reikt Uw aansprakelijkheid verder dan Uw eventuele schuld. Toerekening krachtens verkeersopvattingen legt de lat om aansprakelijkheid te voorkomen, veel hoger.

Hof ‘s-Hertogenbosch, 01-12-2015, nr. HD 200.155.325, 01

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar