Faillissement doet goodwill voor vrijgevestigde medisch specialisten verdampen.

In het Ruwaard van Puttenziekenhuis waren twee oogartsen al ruim twintig jaar als vrijgevestigde specialisten toegelaten. In de toelatingsovereenkomsten van de medisch specialisten met het ziekenhuis stond expliciet vermeld dat de desbetreffende specialist recht had op goodwill verbonden aan de praktijk. Nadat de rechtbank aanvankelijk twee stille bewindvoerders had benoemd, volgt op enig moment faillissement van het ziekenhuis. De curatoren bereiken overeenstemming over een doorstart van het ziekenhuis. De toelatingsovereenkomsten met de oogartsen worden echter niet overgenomen. Zij werken nog een korte periode op grond van een arbeidsovereenkomst en die wordt niet verlengd. De specialisten blijven met lege handen achter en beginnen een procedure tegen de doorstarter en de stakeholders (een aantal omringde ziekenhuizen en oogheelkundige maatschappen).

Tekortkoming in de nakoming.

De oogartsen vorderen betaling van de opgebouwde goodwill alsmede voor één van hen een aanvullende schadevergoeding en voor de ander een voorgezet dienstverband dan wel vervangende schadevergoeding. De rechtbank wijst de vordering echter op alle aangevoerde juridische gronden af. Als eerste komt aan de orde een tekortkoming in de nakoming van de doorstarter. De specialisten stellen dat de toelatingsovereenkomsten zijn overgegaan op de doorstarter, hetzij op grond van de overeenkomst, hetzij als kwalitatief recht. Om te kunnen concluderen dat de toelatingsovereen-komsten zijn overgegaan moet er sprake zijn van zowel instemming van de artsen als aanbod en aanvaarding op dit punt neergelegd in een overeenkomst. Daar was volgens de rechtbank geen sprake van.

De specialisten stellen voorts dat er sprake is van een situatie waarin een gehele onderneming overgenomen is en dat het ondenkbaar is dat zij daar niet bij zitten. De rechtbank deelt ook dit standpunt niet. Ook al is er sprake van min of meerovername van een gehele onderneming, dan nog kan die doorstart gestalte krijgen door middel van een overeenkomst tot koop en verkoop van activa. De toelatingsovereenkomsten hadden daarin moeten worden genoemd. Bovendien blijkt uit de feiten juist het tegenovergestelde, aldus de rechtbank. Aanvankelijk hebben de artsen hun werkzaamheden voortgezet op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hieruit volgt reeds dat de toelatingsovereenkomsten niet zijn overgenomen. Ook staat vast dat ze salaris hebben ontvangen en geen honorarium meer hebben gedeclareerd bij zorgverzekeraars of patiënten. Al deze feiten wijzen er volgens de rechtbank op dat de werkzaamheden niet langer zijn verricht op grond van de toelatingsovereenkomst. De artsen mochten er ook niet op vertrouwen dat hun overeenkomst onderdeel was van de overnameovereenkomst; integendeel. Van kwalitatieve rechten is volgens de rechtbank geen sprake, nog daargelaten dat de doorstarter de overgang daarvan niet heeft geaccepteerd. Alle juridische kunstgrepen ten spijt blijft de rechtbank van mening dat er geen toelatingsovereenkomsten tussen de specialisten en de doorstarter tot stand zijn gekomen.

Onrechtmatige daad.

Volgens de specialisten handelen de doorstarter en de stakeholders onrechtmatig en in strijd met de Mededingingswet. Zij hebben bij het vormgeven van de doorstart onvoldoende acht geslagen op de gerechtvaardigde belangen van de specialisten. De doorstarter heeft zich een economische machtspositie verworven en die misbruikt. Ook met deze grondslag is de rechtbank snel klaar. Het stond de doorstartende partij volgens de rechtbank vrij de specialisten wel of niet een overeenkomst aan te bieden. Een partij die bereid is onderdelen van een failliete onderneming over te nemen is niet verplicht alles over te nemen. De doorstarter is hier vrij in. Dat betekent dat de beslissing om de toelatingsovereenkomsten niet over te nemen in beginsel niet kan leiden tot het oordeel dat dit onzorgvuldig is. Contractspartijen van de failliet hebben slechts aanspraken jegens de boedel. Dat de curatoren de toelatingsovereenkomsten niet gestand hebben willen doen, gaat de doorstarter en de stakeholders niet aan. Tegen deze achtergrond is niet van belang dat de specialisten twee keer aan de doorstarter een toelatingsovereenkomst hebben gevraagd. Er was geen verplichting voor de doorstarter om met de specialisten een overeenkomst te sluiten, of de oogheelkundige praktijk nu wel of niet in het profiel van de doorstarter paste. Dat is niet anders voor de beslissing om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen. Die eindigden van rechtswege en er waren geen verwachtingen gewekt dat die zouden worden verlengd. Dat daar geen reden voor is gemeld, is vervelend maar maakt het niet voortzetten niet onrechtmatig. De co-vakgroepen zagen geen heil in een vruchtbare samenwerking. Nu er geen juridische verplichting was mocht deze reden worden gebruikt om de overeenkomsten niet te verlengen. Daarnaast voeren de specialisten aan dat er tegen hen is samengespannen en tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure namen de specialisten zelfs het woord diefstal in de mond. De rechtbank overweegt dat de rechten voorvloeiend uit de toelatingsovereenkomsten alleen te gelde kunnen worden gemaakt jegens het failliete ziekenhuis en niet jegens de doorstarter. De doorstarter heeft niet met opzet op een faillissement aangestuurd. Daarnaast stond het de specialisten vrij om hun praktijk elders voort te zetten. Hierin zijn zij niet belemmerd door ziekenhuis en/of doorstarter. De specialisten voerden aan dat de zorgverzekeraar dat zou hebben geblokkeerd. Ook dat argument verwerpt de rechtbank Als de zorgverzekeraar dat al heeft geblokkeerd, valt dit buiten deze procedure aangezien deze geen partij is. Ook de verwijten richting Mededingingswet treffen geen doel, alleen al omdat die onvoldoende onderbouwd zijn ook al was daar door de wederpartij op gewezen. Van onrechtmatig handelen is dus geen sprake.

Ongerechtvaardigde verrijking.

Als derde juridisch anker wordt door de specialisten opgeworpen dat de doorstarter en de stakeholders ongerechtvaardigd zijn verrijkt, omdat zij de praktijk hebben overgenomen en daardoor profiteren van de door de specialisten opgebouwde goodwill zonder daarvoor te hebben betaald. De rechtbank overweegt dat de goodwill samenhangt met de toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis. Door het faillissement is deze goodwill waardeloos geworden. Het failliete ziekenhuis kan de toelatingsovereenkomsten immers niet meer nakomen. De schade van de specialisten is dus een gevolg van het faillissement. Als anderen daarvan profiteren is dat niet ongerechtvaardigd. Derden mogen nu eenmaal profiteren van het faillissement van een concurrent. Het faillissement is de rechtvaardiging voor de verrijking van de anderen. Ook deze vordering wordt aldus door de rechtbank afgewezen. De specialisten worden in de kosten van de procedure veroordeeld.

Conclusie.

Ook al hebben de specialisten ruimt twintig jaar in het ziekenhuis gewerkt, als er een faillissement komt worden zij net zo behandeld als ieder ander. Ook al heb je als medisch specialist een contract, dan wil nog ziet zeggen dat dit overgaat op de doorstarter. Daar is juridisch niets tegen in te brengen en het oordeel van de rechtbank is op dat punt volledig correct. Ook een medisch specialist zal met de doorstarter moeten onderhandelen over contractsovername. Lukt dat niet dan kan hij dat niet afdwingen. Door de lengte van de periode waarin op grond van een arbeidsovereenkomst was gewerkt hadden de specialisten al kunnen of moeten weten dat ze zonder opgebouwde rechten eventuele onderhandelingen over voortzetten van de toelatingsovereenkomst moesten starten. Die onderhandelingen zijn er nooit gekomen. Dat een en ander zuur aanvoelt, is invoelbaar. Rekende je op goodwill van een overnemend specialist of van overnemend ziekenhuis, een faillissement doorkruist dit volledig. Ook allerlei bedachte juridische kwalificaties als onrechtmatig handelen en ongerechtvaardigd verrijken, ja zelfs diefstal, baten hier niet. De medisch specialisten worden behandeld als ieder ander die een overeenkomst met de failliet heeft en dat is uit oogpunt van het faillissementsrecht maar vooral vanuit oogpunt van gelijkheid van schuldeisers rechtvaardig.

 

Blijft natuurlijk wel pijnlijk dat een medisch specialist door een faillissement van het ziekenhuis waar hij aan verbonden is de mogelijkheid goodwill voor zijn praktijk te ontvangen verloren ziet gaan en tegelijkertijd vakbroeders uit de omgeving zonder enige betaling hun praktijk in de schoot geworpen te zien krijgen. Dat dient echter opgelost te worden middels de rechtsfiguur van de ongerechtvaardigde verrijking en daar heeft de rechtbank een duidelijk oordeel over gegeven. De rechtbank vindt het profiteren door de stakeholders niet onrechtvaardig. Ook al zou aan de voorwaarden van een verrijking aan de ene kant en een verarming aan de andere kant zijn voldaan, daar voldoende verband tussen bestaan, dan nog moet dit ongerechtvaardigd zijn hetgeen inhoudt dat er geen redelijke grond voor aanwezig is. Uitwerking van dit criterium is door de wetgever uitdrukellijk aan de rechter overgelaten. Deze rechtbank vindt van niet. De rechtbank ziet in het faillissement de rechtvaardiging van de verrijking. Derden mogen profiteren van een faillissement alsdus de rechtbank en bijzonder omstandigheden die dit anders maken zijn onvoldoende gesteld of gebleken. Wellicht dat een hogere rechter daar ook nog een oordeel over geeft, en dat dan wel bijzondere omstandigheden worden vastgesteld.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Coen Verberne, +31 40 23 80 691.

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar