Onrechtmatig handelen IGJ?

Het melden van een melding: dat kan, maar hoeft niet onrechtmatig te zijn

Op 10 oktober 2018 heeft de rechtbank Den Haag een vonnis gewezen in een zaak over het handelen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De IGJ heeft in deze zaak informatie, over een door een in deze kwestie betrokken patholoog gemaakte fout bij de oude werkgever van de patholoog, gemeld aan haar nieuwe werkgever. Deze uitspraak is van belang aangezien ermee wordt geïllustreerd hoe een hulpverlener jegens zijn nieuwe werkgever dient om te gaan met een melding over hem bij de IGJ. Daarnaast laat de uitspraak zien wat de gevolgen zijn als een hulpverlener niet op de juiste wijze handelt bij een dergelijke melding.

De feiten

De in deze kwestie betrokken patholoog is tussen 2009 en 2012 werkzaam geweest bij ziekenhuis A en in 2013 bij ziekenhuis B. In januari, maart en juli 2013 worden over de patholoog drie meldingen gedaan door voornoemde ziekenhuizen. De IGJ is op 13 augustus 2013 een onderzoek gestart naar de meldingen. In haar rapport van 18 september 2014 concludeert de IGJ dat niet vast is komen te staan dat de patholoog structureel tekort is geschoten in haar medisch handelen. De patholoog is op 1 januari 2014 in dienst getreden bij ziekenhuis C en op 5 januari 2015 is de patholoog in dienst getreden bij ziekenhuis D.

Op 28 november 2014 heeft zich (opnieuw) een voorval voorgedaan bij ziekenhuis C. De patholoog zou lichaamsmateriaal van patiënten niet (zoals voorgeschreven) drie maanden hebben bewaard, waardoor geen onderzoek op het materiaal meer mogelijk was. Daarnaast zou de patholoog, toen dit naar buiten kwam, opzettelijk het materiaal van een andere patiënt voor het onderzoek hebben laten insluiten. Naar aanleiding van het bekend worden van dit voorval heeft de raad van bestuur van ziekenhuis C de patholoog op 2 december 2014 geschorst en later ontslagen. De raad van bestuur van ziekenhuis C heeft op 17 december 2014 melding gedaan bij de IGJ tegen de patholoog. De IGJ heeft de patholoog op 23 januari 2015 telefonisch geïnformeerd over de melding van ziekenhuis C en het gestarte inspectieonderzoek. Ook heeft de IGJ de patholoog gevraagd of zij ziekenhuis D op de hoogte had gebracht van het voorval bij ziekenhuis C.

De IGJ heeft op 28 januari 2015 wederom telefonisch contact gehad met de patholoog, waarbij is gebleken dat de patholoog de raad van bestuur van ziekenhuis D nog niet op de hoogte had gebracht van het voorval. De IGJ heeft vervolgens diezelfde middag ziekenhuis D geïnformeerd over zowel de melding als het inspectieonderzoek. Ziekenhuis D heeft hierop de arbeidsovereenkomst met de patholoog op 29 januari 2015 per direct beëindigd.

De IGJ heeft naar aanleiding van haar onderzoeksbevindingen op 1 september 2015 een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle (RTG). De klacht is door het RTG op 29 juli 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarnaast heeft het RTG het handelen van de IGJ, met betrekking tot het informeren van de raad van bestuur van ziekenhuis D, als klachtwaardig gekenmerkt. De patholoog heeft vervolgens op 30 januari 2016 bij de Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg (Inspecteur-generaal) een klacht ingediend over het handelen van de IGJ rondom de meldingen uit 2013 en 2014. De Inspecteur-generaal heeft de klacht over het informeren van ziekenhuis D gegrond verklaard. De patholoog heeft de IGJ op 26 september 2016 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het informeren van het raad van bestuur van ziekenhuis D op 28 januari 2015.

Het oordeel

In de uitspraak beantwoordt de rechtbank de vraag of de IGJ onrechtmatig heeft gehandeld door de raad van bestuur van ziekenhuis D te informeren over het voorval bij ziekenhuis C, zonder de patholoog een termijn te geven om dit zelf te doen. Hiervoor dient te worden beoordeeld of de IGJ, in de gegeven omstandigheden, in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen.

De IGJ heeft ingevolge artikel 36 van de Gezondheidswet de taak om toe te zien op de naleving van de op zorgaanbieders rustende wettelijke verplichting om verantwoorde dan wel goede zorg aan te bieden. Wanneer de IGJ van oordeel is dat de verantwoorde dan wel goede zorg in het gedrang is, kan zij de zorgaanbieder hierop aanspreken.

De IGJ mocht naar het oordeel van de rechtbank, gezien de gedragsregels voor artsen, verwachten dat de patholoog de raad van bestuur van ziekenhuis D zou informeren over de melding van ziekenhuis C. Hiertoe heeft de patholoog, voorafgaand aan het telefonisch contact op 23 januari 2015, ruimschoots de mogelijkheid gehad aangezien zij omstreeks 17 december 2014 al op de hoogte was van de melding. De patholoog had het voorval moeten melden, ongeacht een eventueel onderzoek van de IGJ.

De patholoog heeft aan de IGJ toegezegd dat zij het voorval in de week van 26 januari tot en met 30 januari 2015 aan ziekenhuis D het voorval zou melden, waaruit valt af te leiden dat zij de voornoemde termijn voldoende heeft geacht. Op de patholoog rustte volgens de rechtbank dus een eigen verplichting om de raad van bestuur van ziekenhuis D te informeren. Uit het telefonisch contact van 28 januari 2015 is echter gebleken dat de patholoog nog geen afspraak had gemaakt met de raad van bestuur van ziekenhuis D en er daarbij geen concreet zicht was op het moment dat de patholoog ziekenhuis D zou informeren. De patholoog had, vanwege de ernst van het voorval, naar het oordeel van de rechtbank moeten begrijpen dat ziekenhuis D met spoed geïnformeerd diende te worden over het voorval.

De IGJ heeft zodoende, tegen de achtergrond van haar wettelijke taken, naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het besluit, om de raad van bestuur van ziekenhuis D zelf te informeren over het voorval en het inspectieonderzoek, kunnen komen. Het voorval was dermate ernstig dat de IGJ goede gronden had om zich zorgen te maken over de patiëntveiligheid. Daarbij was de patholoog al op de hoogte van het voorval en had zij de verplichting om het voorval te melden bij ziekenhuis D. Zij heeft dit niet gedaan en er bestond geen concreet zicht op wanneer zij dit wel zou doen.

De manier waarop de IGJ de raad van bestuur van ziekenhuis D heeft geïnformeerd, namelijk zonder inhoudelijke mededelingen te doen over de melding, wordt tevens niet onrechtmatig geacht. De IGJ heeft de stand van zaken correct weergegeven aangezien het onderzoek net was aangevangen. De rechtbank oordeelt dat het voorval zelf ernstig genoeg was om als zodanig te worden aangemerkt.

Slotsom is dat de IGJ bij het informeren van de raad van bestuur van ziekenhuis D, niet onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld en zodoende niet aansprakelijk is voor de door de patholoog gestelde schade.

Conclusie

Indien er sprake is van een dermate ernstig voorval dat de patiëntveiligheid in het gedrang is en hierover een melding wordt gedaan bij de IGJ, kan het een arts geboden zijn om een dergelijke melding zo spoedig mogelijk mee te delen aan de betrokken werkgever. De patholoog in deze kwestie diende daarom de melding over haar bij de IGJ te melden aan het ziekenhuis waar zij inmiddels werkzaam was. Als de betrokken arts (of: hulpverlener) de melding niet mededeelt aan zijn of haar werkgever en er ook geen concreet zicht is op wanneer de hulpverlener dit wel gaat doen, kan de IGJ besluiten de werkgever zelf te informeren.

Jacqueline de Vries

< Vorige

Volgende >

Spring naar toolbar