Uitspraken rechtbank – nieuwsbrief AV&V

Rechtbank Rotterdam 13 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4380

Het schip van eiser is vol water gelopen omdat hij na demontage van de waterpomp de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager niet had dichtgedraaid. Eiser heeft de verzekeraar bij wie hij het schip had verzekerd gedagvaard. In dit geschil staan twee vragen centraal. Ten eerste is de vraag aan de orde of de polisvoorwaarden met de dekkingsomschrijving als kernbedingen of als algemene voorwaarden dienen te worden aangemerkt. Daarnaast is de vraag aan de orde of het schadevoorval onder deze dekkingsbepalingen valt.

De rechtbank oordeelt dat de dekkingsomschrijving bij een verzekeringsovereenkomst tot de kern van de prestatie behoort en dat voornoemde polisvoorwaarden met de dekkingsomschrijving zijn aan te merken als kernbedingen. Het beroep van eiser op vernietigbaarheid van deze bepalingen, als algemene voorwaarden die niet ter hand zijn gesteld, faalt derhalve. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat gedaagde er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat eiser heeft ingestemd met deze polisvoorwaarden en dat dit beding is overeengekomen tussen partijen. Daarbij is het van belang dat eiser enkele maanden eerder dezelfde verzekering had afgesloten voor een ander schip en hij bij dat aanvraagformulier de polisvoorwaarden had ontvangen. Gedaagde mocht er dus vanuit gaan dat eiser de inhoud van de polisvoorwaarden kende, temeer eiser aan had gegeven dat hij de verzekering voor het onderhavige schip op basis van dezelfde voorwaarden af wilde sluiten. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het schadevoorval niet onder de dekking van de verzekering valt. Het binnentreden van water in het schip is een logisch en voorzienbaar gevolg van het niet dichtdraaien van de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager. Dit betreft dus niet “een plotselinge, onvoorziene en van buitenkomende oorzaak” zoals bedoeld in de polisvoorwaarden. De vorderingen van eiser worden afgewezen.

 

Rechtbank Amsterdam 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4219

Verzoekster heeft in het deelgeschil verzocht voor recht te verklaren dat haar huisarts ingevolge art. 7:453 BW aansprakelijk is voor schade als gevolg van een onzorgvuldige geneeskundige behandeling. Verzoekster had bij een boksles een blessure opgelopen aan haar kuit. De huisarts heeft haar vervolgens niet doorverwezen. Nadat verzoekster begonnen was met fysiotherapie en het herstel niet goed verliep, heeft zij een echo laten maken van haar onderbeen. Daaruit bleek dat er sprake was van een achillespeesruptuur. Hieraan is zij vervolgens geopereerd.

De rechtbank wijst de vordering van verzoekster af, nu de aansprakelijkheid van verweerster niet kan worden vastgesteld. Daartoe overweegt zij als volgt. Tussen partijen staat ter discussie of de huisarts tijdens het consult had aangegeven dat verweerster terug moest komen indien zij haar voet niet goed kon bewegen. De aard van de deelgeschilprocedure verzet zich ertegen dat op dit punt nog bewijs wordt bijgebracht. Van een evidente fout van de huisarts kan op basis van het voorhanden dossier niet worden gesproken. Zonder nader deskundigenonderzoek waarin wordt onderzocht wat van een redelijk handelend huisarts onder de gegeven omstandigheden kan worden verwacht aan onderzoek en wat betreft het gekozen beleid, kan de rechtbank geen oordeel geven over de vraag of de huisarts in overeenstemming met de medisch professionele standaard heeft gehandeld. Voor het gelasten van een deskundigenonderzoek is in een deelgeschilprocedure geen ruimte. Ook de gevorderde kosten van het deelgeschil worden afgewezen, nu het verzoekster duidelijk had moeten zijn dat het verzoek zonder nadere medische onderbouwing geen kans van slagen had.

 

Rechtbank Amsterdam 19 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4134

Eiser en gedaagde zijn verwikkeld geraakt in een worsteling. Eiser heeft hierdoor onder andere ernstig knieletsel opgelopen. Doordat de gedaagde als eerste fysiek geweld heeft gebruikt en zich het meest agressief jegens eiser heeft gedragen, is hij naar het oordeel van de rechtbank aansprakelijk voor de schade die eiser lijdt. Omdat eiser ook met fysiek geweld op gedaagde heeft gereageerd wordt de schade voor een deel aan hemzelf toegerekend. Na toepassing van de billijkheidscorrectie wordt gedaagde aansprakelijk gehouden voor 75% van de schade. In de vrijwaringszaak heeft gedaagde zijn aansprakelijkheidsverzekeraar gedagvaard. De verzekeraar doet een beroep op de opzetclausule. De rechtbank oordeelt dat in dit geval de verzekeraar een beroep op de opzetclausule toekomt, nu gedaagde onder invloed van alcohol de confrontatie heeft opgezocht met eiser.

 

Rechtbank Amsterdam 19 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4317

Verzoeker is in 2014 betrokken geweest bij een aanrijding, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn hand. Hij stelt als gevolg hiervan krampverschijnselen te hebben en is een deelgeschilprocedure gestart jegens de veroorzaker van het ongeval en zijn verzekeraar. Hij verzoekt de rechtbank bewezen te verklaren dat de krampverschijnselen het gevolg zijn van het ongeval en dat zijn schade derhalve vergoed dient te worden.

De rechtbank stelt voorop dat de klachten van verzoeker niet medisch geobjectiveerd zijn en dat daarvoor ook geen medisch substraat is aangetoond. De krampverschijnselen van verzoeker zijn door geen van de geraadpleegde deskundigen en/of behandelend artsen of therapeuten waargenomen en konden ook niet bij onderzoek worden geprovoceerd. Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten vooralsnog onvoldoende is gebleken. Dit betekent dat het bestaan van de klachten niet zonder meer kan worden aangenomen. Ook als er wel van het bestaan van de klachten wordt uitgegaan, dan is volgens de rechtbank niet aangetoond dat deze klachten door de onderhavige aanrijding kunnen zijn veroorzaakt. De deskundige is in zijn rapport voorzichtig bij de beantwoording van deze vraag. Daarnaast acht de rechtbank de bij verzoeker bekende ulnaropathie als alternatieve verklaring voor de klachten onvoldoende uitgesloten. De rechtbank ziet tot slot geen reden om in casu de omkeringsregel toe te passen.

 

Rechtbank Noord-Nederland 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2862

Verzoeker is een deelgeschilprocedure gestart. Hij acht verweerder, de exploitant van een kartbaan, op grond van 6:174 BW of 6:162 BW aansprakelijk voor een ongeval waarbij de kart tegen een paal op de kartbaan is gereden. Hij verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat verweerder aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

De rechtbank oordeelt allereerst dat een beroep op de algemene voorwaarden door verweerder niet slaagt, nu niet kan worden vastgesteld dat deze aan verweerder zijn verstrekt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat voor vaststelling van aansprakelijkheid, zij zich een oordeel zou moeten vormen over de vraag of de baan al dan niet voldeed aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen. Daarbij komt het aan op de vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is. Hierbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (ECLI:NL:HR:2010:BN6236). Voor beantwoording van deze vragen is nader (deskundigen)onderzoek nodig. Voor de vraag of artikel 6:162 BW voldoende grondslag biedt geldt hetzelfde. Daardoor leent deze zaak zich volgens de rechtbank niet voor behandeling in deelgeschil. Het verzoek wordt afgewezen.

 

Rechtbank Rotterdam 10 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7833

Fietser is tegen een paaltje/poller gebotst en ondervindt als gevolg van zijn val letsel. Hij houdt de gemeente aansprakelijk voor de schade als gevolg van de botsing met poller. Hij stelt dat de poller slecht zichtbaar was en zich midden op de weg bevond. Zijn vordering baseert hij primair op artikel 6:174 BW en subsidiair op artikel 6:162 BW. De gemeente betwist de oorzaak van het ongeval en de overige stellingen van eiser.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij beantwoording van de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Hierbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (ECLI:NL:HR:2010:BN6236).

De rechtbank overweegt dat gelet op de aanbevelingen van CROW de gemeente meer had kunnen doen om fietsers – die niet steeds de vereiste voorzichtigheid in acht nemen – te waarschuwen voor de aanwezigheid van het paaltje (door bijv. markeringen of waarschuwingsborden te plaatsen). Desondanks wordt geoordeeld dat de weg ter hoogte van de afsluiting, bij een normale oplettendheid van de weggebruiker, toch voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dit mede gelet op de overzichtelijkheid van de weg en de zichtbaarheid van de paaltjes. Dit betekent dat de gemeente niet op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is. Evenmin is zij aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW.

 

Rechtbank Rotterdam 18 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:8117

De hond van eiseres is gebeten door de hond van gedaagde. Eiseres stelt gedaagde aansprakelijk op grond van art. 6:179 BW. Gedaagde erkent aansprakelijkheid, maar doet een beroep op eigen schuld van eiseres. Zij zou door hem meerdere keren voor het onvoorspelbare gedrag van zijn hond zijn gewaarschuwd en zij heeft tijdens het incident niet de nodige afstand bewaard.

De rechtbank wijst het beroep op eigen schuld af en wijst (een deel) van de vorderingen van eiseres toe. De rechtbank overweegt ten eerste dat niet is komen vast te staan of en hoe indringend is gewaarschuwd. Indien wel op duidelijke en onmiskenbare wijze zou zijn gewaarschuwd, dan nog heeft dat onder de gegeven omstandigheden niet tot gevolg dat een deel van de schade voor rekening van eiseres dient te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank dient een bezitter van een hond zijn hond namelijk zodanig in bedwang te houden, dat de hond geen gevaar vormt. Gedaagde had voorzorgsmaatregelen moeten nemen om te voorkomen dat zijn hond schade zou veroorzaken. In dat verband kan worden gedacht aan het gebruik van een muilkorf of een korte hondenlijn.

 

Rechtbank Amsterdam 22 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4640

Verdachte wordt veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor doodslag. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de borststreek gestoken, waardoor het slachtoffer is overleden. De moeder, stiefvader en de zus van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak.

Ingevolgde artikel 6:108 lid 4 BW worden de vorderingen van de moeder en de stiefvader op grond van affectieschade toegewezen. De door de zus ingestelde affectieschade vordering wordt niet toegewezen. Zij behoort namelijk niet tot de personen die zijn opgenomen in artikel 6:108 lid 4 BW. Ook slaagt een beroep op de hardheidsclausule niet. Zij stond op het moment van het overlijden niet in een zodanige nauwe relatie tot de overledene, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naaste aanspraak zou hebben op de vergoeding van affectieschade.

Daarnaast vorderen de benadeelde partijen ook vergoeding op grond van shockschade. Deze vordering wordt afgewezen, nu er niet voldaan is aan het confrontatievereiste. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zij niet geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het incident. Dat de moeder van het slachtoffer door anderen indirect en ongevraagd is geconfronteerd met de omstandigheid dat de beelden van het misdrijf op internet circuleerden, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. De stiefvader heeft de beelden van het steekincident op het internet wel gezien. Daarover overweegt de rechtbank dat hij deze beelden vrijwillig heeft bekeken en dit derhalve geen feit betreft waar hij onverwachts mee is geconfronteerd. Tot slot overweegt de rechtbank dat ondanks dat de zus het lichaam van het slachtoffer in het mortuarium heeft gezien, zij niet geconfronteerd is met de ernstige gevolgen van het incident.