Uitspraken rechtbank – nieuwsbrief AV&V

Rechtbank Overijssel 22 januari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:4462

De koper van een huis stelt geruime tijd na de koop en overdracht van het huis dat er verborgen gebreken bestonden die zodanig zijn dat hij de koopovereenkomst wil ontbinden. Hij heeft echter de woning inmiddels zo goed als gesloopt om de beweerdelijke verborgen gebreken (zoals vocht in de wanden, funderingsconstructie etc.) te onderzoeken. De verkopers van het huis doen een beroep op onder meer het verzaken van de klachtplicht en de in de klachtplicht besloten liggende onderzoeksplicht van koper. Alhoewel er aanwijzingen waren dat er wellicht gebreken bestonden, heeft de koper voorafgaande aan de koop geen onderzoek ingesteld. De koper heeft zelfs aangeboden de woning zonder bouwtechnische keuring aan te kopen. De verweren worden door de rechtbank gehonoreerd. De ontbinding van de koopovereenkomst wordt zodoende afgewezen.

Rechtbank Limburg 12 augustus 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:10501

Verzoekster betreft de moeder van een vrouw die als gevolg van zelfdoding is overleden. Op dat moment bevond de vrouw zich op de gesloten afdeling bij de Mutsaersstichting. In een deelgeschil verzoekt de moeder de rechtbank om bij beschikking de Mutsaersstichting te gelasten een afschrift van het dossier van haar dochter aan haar te doen toekomen. De rechtbank overweegt dat echter niet is gebleken dat partijen met elkaar in onderhandeling zijn getreden dan wel dat zij inhoudelijke standpunten hebben ingenomen ten aanzien van aansprakelijkheidsrechtelijke aspecten. Het verzoek wordt dan ook afgewezen nu een en ander zich niet leent voor behandeling in deelgeschil. Indien wel zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling dan zou dit volgens de rechtbank tot een afwijzende beslissing hebben geleid vanwege het ingewikkelde feitencomplex en het principiële juridische karakter.

Rechtbank Midden-Nederland 4 november 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4966

De neef van gedaagde heeft zonder toestemming van gedaagde, de door gedaagde gehuurde auto meegenomen. Aan de auto is vervolgens schade ontstaan. De rechtbank overweegt dat de eigenaar of houder van een auto krachtens art. 185 lid 2 WVW ook aansprakelijk is voor met de auto veroorzaakte schade wanneer hij de auto door een ander doet of laat rijden. Van laten rijden in de zin van dit artikel is niet alleen sprake als de eigenaar van de auto er mee instemt dat die ander rijdt, maar ook als hij door zijn zorgeloosheid de ander de gelegenheid tot rijden heeft verschaft. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de bereikbaarheid van die sleutels voor anderen en de relatie waarin deze anderen tot de eigenaar staan. Het ligt op de weg van gedaagde om te stellen en in geval van gemotiveerde betwisting te bewijzen dat hij voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen. Uit het proces-verbaal van 25 september 2018 van aangifte van joyriding blijkt echter dat gedaagde de autosleutels op de eettafel heeft laten liggen, waarna hij is gaan slapen, terwijl zijn ‘neef’ in de woonkamer is achtergebleven. Als het gaat om een familielid, zoals in onderhavig geval, die gemakkelijk in het bezit van de autosleutels kan komen, is een enkele ontkenning dat men heeft laten rijden niet voldoende; in zo’n geval dient men te stellen welke maatregelen men heeft getroffen om te voorkomen dat het familielid met de auto is gaan rijden. Nu gedaagde de stelling dat hem geen verwijt valt te maken niet nader heeft onderbouwd, wordt de vordering toegewezen.

Rechtbank Noord-Holland 2 december 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10693

Een werknemer van een bollenoppotbedrijf in tuinbouwsector loopt letsel aan zijn hand op bij het vervangen van kapotte kasruiten. De werkgever stelt dat hij snijbestendige handschoenen ter beschikking heeft gesteld. Dit wordt echter door de werknemer betwist. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat van de werkgever verwacht had mogen worden dat hij een bij de werkzaamheden betrokken meer ervaren medewerker en de bedrijfsleider zou hebben geïnstrueerd om te controleren dat (ook) eiser snijbestendige handschoenen aan had tijdens de werkzaamheden. Daarvan is niet gebleken. Een en ander brengt de kantonrechter tot het oordeel dat de werkgever niet heeft voldaan aan de zorgplicht van art. 7:658 BW. De kantonrechter gaat wel mee in de stelling van de werkgever dat de werknemer rauwelijks is overgaan tot dagvaarden. Om deze reden worden de proceskosten gecompenseerd.

Rechtbank Limburg 2 december 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9596

Een aannemer heeft een wijziging in het bestek doorgevoerd zonder zich ervan te vergewissen dat de wijze waarop dit gebeurde constructief veilig was. De aannemer heeft zonder voorafgaand overleg, op de verdiepingsvloeren egaline gebruikt, terwijl in het bestek was opgenomen dat er egalisatiekorrels zouden worden gebruikt. Er was bewust gekozen voor egalisatiekorrels omdat de belastbaarheid van de vloer een aandachtspunt was en de korrels licht zijn. Volgens de rechtbank mag van een professioneel aannemer verwacht mocht worden dat deze zich ervan vergewist dat de bedachte en doorgevoerde wijziging in het bestek – egaline in plaats van egalisatiekorrels – constructief (qua draagkracht) verantwoord was en correct werd uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aannemer worden verweten dat een te dikke laag egaline is opgespoten met gevaar voor de constructieve veiligheid, met als gevolg dat de in het leven geroepen situatie moet worden hersteld. Nu de aannemer tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, dient zij de schade die eiser als gevolg daarvan heeft geleden te vergoeden.

Rechtbank Rotterdam 11 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11783

Op 11 april 2016 heeft gedaagde met een beroep op haar aansprakelijkheidsverzekering een schademelding gemaakt bij ABN AMRO, met het verzoek door haar veroorzaakte schade te vergoeden aan een derde. Als schadeoorzaak heeft gedaagde gesteld dat zij met haar hond op een appartementsgebouw over de galerij van de 11de etage liep, de hond tegen de derde opsprong, waardoor deze een doos met schakelmateriaal die hij bij zich droeg over de balustrade heeft laten vallen. ABN AMRO heeft de schade aan de derde vergoed. Vervolgens heeft ABN AMRO naar aanleiding van een melding van ARAG over de rechtsbijstandsverzekering van gedaagde het interne registratiesysteem van gezamenlijke verzekeraars geraadpleegd. Gebleken is dat gedaagde een soortgelijke schadeclaim heeft ingediend bij Generali schadeverzekering maatschappij N.V. en dat de moeder van gedaagde eveneens een soortgelijk schadegeval bij National Academic heeft gemeld. ABN AMRO vordert in deze procedure de betaalde vergoeding terug en legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde ABN AMRO opzettelijk heeft misleid bij het indienen van de schadeclaim. Gedaagde heeft erkend dat de latere melding bij Generali frauduleus was. De rechtbank overweegt dat het vorenstaande vermoedens doet rijzen over fraude met de melding bij ABN AMRO, nu het beschadigde materiaal identiek was, maar dat een en ander onvoldoende is om aan te nemen dat er daadwerkelijk sprake is van opzettelijke misleiding, laat staan van onrechtmatig handelen van gedaagde jegens ABN AMRO. De vordering van ABN AMRO wordt dan ook afgewezen.

Rechtbank Gelderland 16 december 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6628

In een deelgeschil stelt Univé zich op het standpunt dat het eventuele gemis van ‘zwarte’ inkomsten niet als vergoedbare schade kan gelden. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. Overeenkomstig het uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade moet eiser namelijk zoveel mogelijk in de toestand worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Het verschil tussen de werkelijke en de hypothetische situatie, uitgedrukt in geld, betreft de schade. Gemiste ‘zwarte’ verdiensten uit betaald werk kwalificeren in dat opzicht net als gemiste ‘witte’ verdiensten als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW.

Rechtbank Amsterdam 23 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6643

Een man heeft zijn echtgenote en moeder van zijn twee kinderen met meerdere messteken om het leven gebracht. De kinderen van respectievelijk 15 en 6 jaar oud hebben moeten zien hoe hun vader op hun moeder instak. Hierbij probeerden ze te voorkomen dat hun moeder zou worden doodgestoken. Bij de oudste zoon is als gevolg van het gebeuren PTSS vastgesteld. Bij de jongste zoon werd echter geen PTSS vastgesteld. Wel vertoont hij vermijdingsgedrag en zou hij zodoende in de toekomst PTSS kunnen ontwikkelen. Ten aanzien van de door de kinderen als benadeelde partij in het strafproces gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat niet is uitgesloten dat de aard en ernst van het strafbare feit en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor de benadeelde grond kunnen bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Ook in het geval dat geen sprake is van een medisch erkend ziektebeeld is dat mogelijk. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Vervolgens overweegt de rechtbank dat zowel de shockschadevordering van de oudste als van de jongste zoon wordt toegewezen. Ten aanzien van de jongste zoon wordt een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aangenomen. De rechtbank waardeert de shockschade op € 50.000,- per persoon.

Rechtbank Noord-Holland 23 december 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10632

Eiseres, een organisatieadviesbureau, heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten ten behoeve van haar werkneemster bij De Goudse. Univé is bij de aanvraag en de totstandkoming van de verzekering opgetreden als tussenpersoon. Ongeveer een maand later wordt de vrouw arbeidsongeschikt gemeld bij de verzekeraar. De Goudse vangt initieel aan met uitkeren, maar zet de betaling stop wanneer blijkt dat de vrouw de partner van de DGA van eiseres betreft. Bij vonnis in kort geding is de door eiseres gevorderde voorziening tot doorbetaling van de verzekeringsuitkering afgewezen, omdat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de vrouw als partner van de DGA of eigenaar in de zin van de polis dient te worden aangemerkt en een vraag daarover in het aanvraagformulier onjuist is beantwoord. In de onderhavige procedure vordert eiseres vergoeding van de schade door Univé, nu laatstgenoemde bij de aanvraag van de verzekering bij De Goudse de vraag – of geen werknemer partner of familie is van de DGA of eigenaar – op eigen initiatief met “nee” heeft beantwoord, zonder die vraag aan eiseres te stellen. Univé stelt zich in deze procedure op het standpunt dat wanneer de partnervraag gesteld zou zijn, deze door eiseres – gezien de door haar in het kortgeding ingenomen stellingen – negatief zou zijn beantwoord. Verder betwist Univé dat de vrouw daadwerkelijk in dienst is geweest van eiseres. De rechtbank volgt de betwisting van Univé en oordeelt dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij als gevolg van de handelwijze van Univé schade heeft geleden.

Rechtbank Rotterdam 6 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:19

Een vrouw die in augustus 2016 een auto-ongeval kreeg, meldde zich in juni 2017 ziek bij het UWV. Naar eigen zeggen als gevolg van het ongeluk in 2016. Bij National Academic had de vrouw een schadeverzekering inzittenden. National Academic werd echter pas 15 maanden later op de hoogte gesteld van de ziektemelding. National Academic heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat zij door het niet tijdig aanleveren van medische informatie en met name het niet tijdig doorgeven van de ziektemelding in haar belangen is geschaad en dat daarom op grond van de algemene poliswaarden het recht op uitkering van eiseres zou zijn vervallen. In deze voorwaarden is bepaald dat wanneer niet wordt voldaan aan de mededelingsplicht de verzekerde het risico loopt dat  “National Academic een deel van de schade, of de gehele schade niet aan u zal vergoeden”. De rechtbank overweegt dat National Academic hiermee onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij met haar beding de schending van de mededelingsplicht ook voor andere gevallen dan opzettelijke misleiding met verval van recht wil kunnen sanctioneren. Een en ander nu het risico dat de gehele schade niet zal worden vergoed is samengevoegd met het risico dat een deel van de schade niet zal worden vergoed en omdat niet de woorden ‘verval van recht op uitkering’ worden gebruikt waar National Academic dat in de daaropvolgende zinsnede met betrekking tot opzettelijke misleiding wel doet. Voorts wijst de rechtbank op de omstandigheid dat evenmin duidelijk is in welke gevallen de schade geheel niet zal worden vergoed, in welke gevallen een deel van de schade niet zal worden vergoed en op basis van welke objectieve factoren dat deel wordt bepaald. De rechtbank verklaart voor recht dat National Academic gehouden is om de schade van eiseres op grond van de schadeverzekeringsovereenkomst voor inzittenden te vergoeden.

Rechtbank Amsterdam 13 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:62

De rechtbank Amsterdam oordeelt dat een ervaren skiër die op een indoorskibaan in botsing kwam met een onervaren vrouwelijke skiër aansprakelijk is voor de schade die de vrouw lijdt als gevolg van het ongeluk. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een overtreding van een zorgvuldigheidsnorm nu vast is komen te staan dat gedaagde als van bovenkomende skiër bij het inhalen van eiseres met haar in botsing is gekomen. Gedaagde heeft eiseres blootgesteld aan een groter gevaar dan eiseres in de gegeven omstandigheden behoefde te verwachten, nu eiseres op grond van (in ieder geval) de geldende FIS-regels mocht verwachten dat zij als voorligger voorrang had en dat een achteropkomende skiër haar veilig zou passeren of op afstand bleef en zijn spoor zo koos dat hij de voor haar skiënde persoon niet in gevaar bracht. Ook binnen de onderhavige sport- en spelcontext, had gedaagde volgens de rechtbank naar maatstaven van zorgvuldigheid een botsing moeten voorkomen.