Uitspraken Rechtbank – nieuwsbrief AVV

Rechtbank Midden-Nederland 24 februari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:637

Tussen partijen staat ter discussie of de verzekeraar gehouden is dekking te verlenen voor de door de bewoners geleden schade als gevolg van een brand, ondanks het feit dat de gesloten opstalverzekering niet op naam van de vve staat. De vve stelt dat de eigendomsoverdracht via een tussenpersoon tijdig aan de verzekeraar is gemeld, die vervolgens stilzwijgend heeft ingestemd. De verzekeraar betwist dat en beroept zich op art. 14 lid 1 van de Bijzondere Voorwaarden. Daarin is opgenomen dat de verzekeringsovereenkomst met de nieuwe eigenaar wordt voortgezet indien dat binnen de termijn van 30 dagen met de nieuwe eigenaar is overeengekomen.

De rechtbank oordeelt dat de vve niet binnen de daarvoor geldende termijn van 30 dagen na de overdracht van het appartement aan de verzekeraar kenbaar heeft gemaakt dat zij de verzekering wilde voorzetten. De mededeling is pas na de 30 dagen termijn gedaan. Ten tijde van de brand bestond er geen opstalverzekering tussen de verzekeraar en de vve. Toch oordeelt de rechtbank dat het beroep van de verzekeraar op art. 14.1 van de Bijzondere Voorwaarden (dan wel art. 7:948 lid 2 BW) onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank acht ook geen omstandigheden aanwezig waardoor de verzekeraar een gegronde reden zou hebben de verzekering met de vve niet voort te zetten. De verzekeraar is gehouden om dekking te verlenen onder de opstalverzekering. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de tussenpersoon een beroepsfout heeft gemaakt, door de vve niet te waarschuwen voor de 30 dagen termijn. Tot slot heeft ook het notariskantoor zijn zorgplicht jegens de vve geschonden, doordat het notariskantoor de toezegging zorg te dragen voor het overzetten van de opstalverzekering niet is nagekomen en de leveringsakte heeft gepasseerd terwijl bekend was dat de opstalverzekering nog niet op naam van de vve stond.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 februari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1271

Een werkneemster is werkzaam als gastvrouw bij een bezoekerscentrum. Tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden is zij, terwijl zij rugzakken die binnen waren opgeslagen naar buiten aan het verplaatsen was, gevallen over één van deze rugzakken. Zij spreekt vervolgens haar werkgever aan op grond van art. 7:658 BW.

De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het struikelen over een rondslingerend rugzak aan te merken is als een “huis- tuin- en keukenongeval”. In het gewone dagelijkse leven kan iemand door een combinatie van onoplettendheid en pech struikelen. Daarnaast hebben de eigen afwegingen die de werkneemster in casu heeft gemaakt – het oppakken van meerdere tassen tegelijkertijd – bij het ontstaan van het ongeval een rol gespeeld. Het naar buiten dragen van rugzakken is geen risicovolle bezigheid. Een specifieke waarschuwing of instructie is niet vereist. De werkgever is niet tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht met betrekking tot de veiligheid van de werkzaamheden en werkomgeving en is derhalve niet aansprakelijk voor de door de werkneemster geleden schade.

Rechtbank Oost-Brabant 2 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:996

Verzoeker is als voetganger terwijl hij overstak op een oversteekplaats zonder voorrang aangereden door een auto ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. ASR, de WAM-verzekeraar van de auto, heeft reeds voor 50% aansprakelijkheid erkend. Verzoeker is een deelgeschilprocedure gestart teneinde dit percentage naar boven bij te stellen. De rechtbank merkt allereerst op dat vanwege het ‘Betriefbsgefahr’ de WAM-verzekeraar van de auto in ieder geval gehouden is 50% van de schade van verzoeker te vergoeden. Voor de overige 50% is de bijdrage van beide partijen aan het ontstaan van het ongeval van belang. De kantonrechter concludeert dat zowel verzoeker als de bestuurder van de auto hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. De automobilist heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval doordat hij onvoldoende alert was terwijl hij reed in een bocht nabij een winkelcentrum. De kantonrechter weegt daarbij mee dat de automobilist bekend was ter plaatse, dat verzoeker overstak op een voor de hand liggende plaats en dat verzoeker al bijna geheel was overgestoken toen hij werd aangereden. Verzoeker heeft daarentegen eveneens een verkeersfout gemaakt door zonder te kijken over te steken. Dat verzoeker in de (onterechte) veronderstelling verkeerde dat hij voorrang had, doet aan deze verkeersfout niet af. Daarbij weegt de kantonrechter in het nadeel van verzoeker mee dat hij ten tijde van het ongeval een te hoog alcoholpromillage in zijn bloed had. De kantonrechter stelt dienaangaande de bijdrage van de automobilist aan het ontstaan van het ongeval vast op 2/3 en de bijdrage van verzoeker op 1/3. Met betrekking tot de billijkheidscorrectie hecht de kantonrechter er waarde aan dat verzoeker ten gevolge van het letsel zijn sloop- en bouwwerkzaamheden niet meer kan uitvoeren en de automobilist verzekerd is voor zijn aansprakelijkheid. De kantonrechter stelt de aansprakelijkheid van ASR derhalve vast op 75%.

Rechtbank Limburg 10 maart 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2402

Tussen partijen ontstaat na een schademelding de discussie of de verzekeringnemer bij het afsluiten van zijn WA- en cascoverzekering de vragenlijst onjuist heeft ingevuld. Zo wordt bij de vraag of de aanvrager in de afgelopen jaren in aanraking is geweest met politie of justitie aangegeven dat er met “ja” dient te worden beantwoord als er onder andere sprake is geweest van een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid. Het rijbewijs van de verzekerde was eerder in verband met het rijden onder invloed ingevorderd. Tijdens de strafzaak is het Openbaar Ministerie echter niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzekeringnemer bij het afsluiten van zijn WA- en cascoverzekering de vragenlijst juist heeft ingevuld. Zij overweegt daartoe dat de verzekeringnemer ingevolge art. 7:928 lid 5 BW slechts verplicht is feiten mede te delen voor zover zij zijn voorgevallen in de acht jaren voorafgaande aan het sluiten van de verzekering en voor zover de verzekeraar hieromtrent een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen. De verzekeringnemer diende in dit geval de invordering van het rijbewijs niet mede te delen, omdat dit niet hetzelfde is als een ontzegging van de rijbevoegdheid. Ook is niet aangetoond dat de verzekeringnemer gehandeld heeft met het opzet om de verzekeraar te misleiden (art. 7:926 lid 6 BW). Doordat de vragenlijst duidelijk was, mocht de verzekeringnemer ervan uitgaan dat een invordering van het rijbewijs niet van belang was. De verzekeraar heeft ten onrechte uitkering geweigerd.

Rechtbank Rotterdam 4 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1703

Verzoeker is tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden als stuurman op een schip in aanraking gekomen met een zwiepende staaldraad. Verzoeker is een deelgeschilprocedure gestart tegen zijn werkgever om de schade ten gevolge van dit ongeval vergoed te krijgen. De werkgever stelt ter wering van aansprakelijk dat op verzoeker, als eerste stuurman met de nodige ervaring, een eigen verantwoordelijkheid rustte ten aanzien van de veiligheid en de werkmethode op het schip. De werkgever stelt daarbij dat verzoeker (mede) heeft beslist geen voorafgaande ‘toolboxmeeting’ te houden voor de desbetreffende werkzaamheden en verzoeker wist dat hij niet zichtbaar was voor de kapitein. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een risicovolle situatie waarvoor de werkgever onvoldoende (voorzorgs)maatregelen heeft getroffen. Het feit dat verzoeker ervaren was en niet zichtbaar was voor de kapitein ontslaat de werkgever niet van zijn plicht om zorg te dragen voor een veilige werkomgeving. Een werkgever dient daarbij rekening te houden met de omstandigheid dat een ervaren werknemer evengoed niet altijd de vereiste zorgvuldigheid in acht neemt. Met betrekking tot het (mede)beslissen van verzoeker over het niet houden van een ‘toolboxmeeting’ oordeelt de rechtbank dat een werkgever zijn verantwoordelijkheden voortvloeiend uit art. 7:658 BW niet kan uitbesteden aan een werknemer. De rechtbank concludeert dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade van de werknemer.

Rechtbank Rotterdam 24 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3078

In deze kwestie diende de rechtbank te oordelen of een advocaat een beroepsfout heeft gemaakt door zich – onder andere – niet te voegen in de hoofdzaak namens de gevrijwaarde partij. Eisers stellen dat door deze handelswijze hen de kans is ontnomen om de schadehoogte te betwisten. De rechtbank stelt voorop dat aan de hand van hetgeen een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan, beoordeeld dient te worden of er sprake is van een beroepsfout. De rechtbank concludeert dat, doordat de advocaat zich niet heeft gevoegd in de hoofdzaak, eisers de mogelijkheid is ontnomen om de hoogte van de schade te betwisten. Om te spreken van een beroepsfout dient volgens de rechtbank te worden bezien of er vrees bestond dat de gedaagde in de hoofdzaak geen adequaat verweer zou voeren en/of een aanvullend verweer van eisers tot een gunstiger resultaat zou hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat van deze omstandigheden niet zijn gebleken. Er is aldus geen sprake van een beroepsfout. De rechtbank hecht er daarbij waarde aan dat er een regeling tussen partijen is bereikt waarin eisers een wezenlijk lager bedrag verschuldigd zijn dan waartoe zij blijkens de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak verplicht waren.

Rechtbank Oost-Brabant 24 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1234

Eiser is als wielrenner gevallen over een (uit betonplaten bestaande) verkeersdrempel ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. In deze zaak lag aan de rechtbank de vraag voor of de gemeente op grond van art. 6:174 BW dan wel art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade van eiser. Eiser stelt dat de weg gebrekkig is aangezien er tussen de betonplaten sprake was van een hoogteverschil van 2,5 centimeter. De rechtbank oordeelt dat een weg gebrekkig is indien deze (objectief bezien) niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden en om die reden een gevaar oplevert voor personen of zaken. Een verkeersdeelnemer dient volgens de rechtbank daarentegen rekening te houden met de omstandigheid dat een weg niet altijd in goede staat verkeert en dient derhalve zelf ook de nodige oplettendheid te betrachten. De rechtbank stelt dat een hoogteverschil van 2,5 centimeter tussen de betonplaten de weg niet gebrekkig maakt in de zin van art. 6:174 BW. De rechtbank hecht er daarbij waarde aan dat een dergelijk hoogteverschil in de CROW-richtlijnen niet als ‘ernstig’ wordt aangemerkt en een verkeersdeelnemer rekening dient te houden met oneffenheden op een weg in een buitengebied welke eveneens veelvuldig wordt gebruikt door landbouwverkeer. De rechtbank concludeert dat het hoogteverschil niet van een zodanige ongebruikelijke of onverwachte omvang was dat eiser daar niet op bedacht hoefde te zijn. Van een onrechtmatige daad aan de zijde van de Gemeente Oss is evenmin gebleken. De rechtbank wijst de vordering van eiser af.