Uitspraken rechtbank

Rechtbank Amsterdam 23 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2727

KLM aansprakelijk voor schade van lader/losser die zich optrok aan een luik om het bagageruim te betreden?

Verzoeker was bij KLM tewerk gesteld als lader/lossen van vliegtuigen. Op enig moment diende verzoeker de handbagage in het ruim te laden. Voor het verrichten van deze werkzaamheden waren geen materiële hulpmiddelen aanwezig. Verzoeker heeft zich aan het luik van het bagageruim opgetrokken om in het bagageruim te komen. Het op deze wijze betreden van het ruim was gebruikelijk onder medewerkers van KLM indien er geen hulpmiddelen beschikbaar waren. Bij het optrekken is verzoeker met zijn arm tegen de deurrand geslagen en vervolgens met zijn gezicht op de deurrand terecht gekomen. In een deelgeschilprocedure ligt de vraag voor of KLM, als werkgever, aansprakelijk is voor de schade van verzoeker. KLM stelt dat er geen oorzakelijk verband is tussen de uitgevoerde werkzaamheden en de schade gezien de lichamelijke constitutie van verzoeker. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht daarbij van belang dat verzoeker voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden de laadruimte diende te betreden. KLM is daarnaast van oordeel dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan aangezien een medewerker voorafgaand aan het betreden van de ruimte een ‘voetje’ heeft aangeboden en deze medewerker verzoeker gewaarschuwd zou hebben om niet op voornoemde wijze de laadruimte te betreden. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat van het vorenstaande sprake is waardoor de rechtbank niet kan concluderen dat KLM aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Op grond van art. 7:658 BW is KLM aansprakelijk voor de schade van verzoeker. De rechtbank wijst de verzoeken toe.

 

Rechtbank Rotterdam 8 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:3365  

Media Markt aansprakelijk voor hardhandig ingrijpen beveiliger op grond van art. 6:171 BW?

Eiser wilde op 14 maart 2016 een scheerapparaat terugbrengen bij de Media Markt. Toen Media Markt weigerde om het scheerapparaat terug te nemen, werd eiser op enig moment door een beveiliger uit de Media Markt gezet. Toen eiser aangaf er nog op terug te komen, werd hij door een beveiliger van de Media Markt tegen de grond gewerkt. Vervolgens heeft de beveiliger met zijn knie enige tijd op de arm van eiser gezeten met letsel tot gevolg. Eiser acht Media Markt aansprakelijk voor zijn schade op grond van art. 6:171 BW. De rechtbank dient in deze procedure de vraag te beantwoorden of er in de gegeven omstandigheden sprake is van een niet-ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht. De kantonrechter concludeert dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake is van eenheid van onderneming. De werkzaamheden van de Media Markt en de beveiliger verschillen volgens de rechtbank dusdanig dat deze niet als eenheid van onderneming zijn te kwalificeren. Bovendien dragen de medewerkers van de Media Markt een ander uniform dan de beveiligers waardoor voornoemd verschil in werkzaamheden voor buitenstaanders voldoende duidelijk is. Dat de beveiliger volgens de stellingen van eiser tevens namens de Media Markt als gastheer optreedt, maakt het voorgaande niet anders. Media Markt heeft aangevoerd dat het contact maken met klanten – onder andere – tot doel heeft om incidenten te voorkomen. De rechtbank concludeert dan ook dat er geen sprake is van een dusdanige verwevenheid van werkzaamheden. De rechtbank wijst de verzoeken van eiser af.

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2392

Werkgever aansprakelijk op grond van art. 6:170 BW voor mishandeling onder werktijd?

Eiser is als uitzendkracht uitgezonden aan gedaagde waar hij werkzaamheden als medewerker productiewanden verrichte. Op enig moment heeft er in de productieruimte van gedaagde een woordenwisseling plaatsgevonden met een van de leidinggevenden van eiser. Deze woordenwisseling had betrekking op het aankoopbedrag van een auto die eiser van zijn leidinggevende had gekocht welke later kapot bleek te zijn. Op enig moment is deze woordenwisseling geëindigd in een vechtpartij waarbij eiser letsel heeft opgelopen. Eiser acht gedaagde op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk voor zijn schade. Voor de beoordeling van aansprakelijkheid op grond van art. 6:170 BW dient bezien te worden of er voldoende verband bestaat tussen de fout van de ondergeschikte en de aan hem opgedragen taak. De rechtbank merkt op dat dit verband ruim dient te worden uitgelegd. Aan de hand van alle ter zake dienende omstandigheden moet worden onderzocht of tussen de fout van de werknemer en diens werk in dienstbetrekking een zodanig verband bestaat dat dat de werkgever daarvoor aansprakelijk is. Alhoewel de mishandeling an sich wordt betwist, veronderstelt de rechtbank dat er sprake is van een onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt dat de aard van de onrechtmatige gedraging geen verband houdt met de aan de leidinggevende opgedragen werkzaamheden. Evenmin hebben de opgedragen werkzaamheden de kans op de mishandeling vergroot. Het incident had betrekking op een privé-kwestie hetgeen niets van doen had met de aan eiser opgedragen werkzaamheden. Bovendien had gedaagde geen zeggenschap over deze privé-kwestie. Dat de mishandeling op het bedrijfsterrein van gedaagde en kennelijk onder werktijd heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er een functioneel verband bestaat tussen de werkzaamheden en de mishandeling. De rechtbank wijst de vorderingen dan ook af.

 

Rechtbank Den Haag 11 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4619

Weigert NN terecht dekking wegens het niet naleven van preventievoorschriften bij brandstichting?

Horecaonderneming Steakhouse heeft een verzekeringsovereenkomst gesloten met Nationale Nederlanden. In de polisvoorwaarden is een preventievoorschrift opgenomen waarin is bepaald dat Steakhouse van diverse zaken de goede staat c.q. het onderhoud dient te waarborgen. Nationale Nederlanden heeft gedurende een risico-inspectie geconstateerd dat Steakhouse het preventievoorschrift niet is nagekomen. Niet veel later heeft er een brand in de horecazaak gewoed. Uit onderzoek is gebleken dat er waarschijnlijk sprake was van brandstichting. Steakhouse verklaarde dat de achterdeur met twee schuiven was afgesloten. Aan de achterdeur zijn geen sporen van inbraak aangetroffen. Op basis van het vorenstaande heeft Nationale Nederlanden te kennen gegeven geen dekking te verlenen. In deze procedure ligt aan de rechtbank de vraag of Nationale Nederlanden in de gegeven omstandigheden gehouden is om dekking te verlenen. De rechtbank oordeelt dat Steakhouse niet aan de voorschriften voortvloeiend uit het preventievoorschrift heeft voldaan. Uit de stukken blijkt dat er sprake is van brandstichting waardoor volgens de rechtbank de brand niet is ontstaan door het niet voldoen aan de preventievoorschriften. Evenmin is gebleken dat de schade ten gevolge van de brand is vergroot door het niet naleven van de preventievoorschriften. Derhalve kan Nationale Nederlanden geen dekking weigeren op basis van het niet naleven van de preventievoorschriften door Steakhouse. Daarentegen oordeelt de rechtbank dat de verklaringen van Steakhouse omtrent het afsluiten van de deur niet stroken met de wijze waarop de achterdeur is aangetroffen. De rechtbank concludeert dan ook dat Steakhouse Nationale Nederlanden bewust onjuist heeft geïnformeerd met betrekking tot het afsluiten van de achterdeur. Vervolgens concludeert de rechtbank dat deze onjuiste verklaringen niet anders geduid kunnen worden dan dat Steakhouse Nationale Nederlanden bewust op het verkeerde been heeft proberen te zetten. Op grond van art. 7:941 lid 5 BW hoeft Nationale Nederlanden aldus geen dekking te verlenen. De rechtbank wijst de vorderingen af.

 

Rechtbank Amsterdam 12 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2627  

Kan een trambestuurder zich terecht beroepen op overmacht bij een aanrijding met een voetganger die een rood verkeerslicht negeerde?

Verzoekster is toen zij over een voetgangersoversteekplaats liep, aangereden door een tram van GVB. Toen zij de voetgangersoversteekplaats overstak, is zij door een rood verkeerslicht gelopen. De trambestuurder heeft een noodrem ingezet echter bleek een aanrijding met verzoekster onvermijdelijk. De verzekeraar van GVB stelt dat er sprake is van overmacht en wijst aansprakelijkheid af. In deze deelgeschilprocedure ligt de vraag voor of GVB zich terecht op overmacht beroept en of verzoekster dusdanig roekeloos heeft gehandeld dat dit handelen als grenzend aan opzet gekwalificeerd kan worden. De rechtbank oordeelt dat een bestuurder van een tram dezelfde zorgvuldigheid jegens andere ongemotoriseerde verkeersdeelnemers dient te betrachten zoals andere gemotoriseerde verkeersdeelnemers ex art. 185 WVW. Dit brengt mee dat GVB in beginsel aansprakelijk is voor minimaal 50% van de schade van verzoekster. De rechtbank acht het beroep van GVB op overmacht ongegrond. De rechtbank oordeelt daarbij dat onvoldoende is komen vast te staan dat de tram voorafgaand aan het ongeval met een gepaste snelheid reed. Het had volgens de rechtbank op de weg van GVB gelegen om nader onderzoek naar de snelheid te doen. Aan de hand van dit onderzoek had dan bepaald kunnen worden of aan de trambestuurder een rechtens relevant verwijt gemaakt kon worden. Aangezien ten aanzien van het aanwezig zijn van overmacht op GVB de bewijslast rust en zij voornoemd onderzoek niet heeft verricht, komt het ontbreken van een dergelijk onderzoek voor rekening van GVB. Nu niet is komen vast te staan dat de tram met gepaste snelheid reed, komt GVB geen beroep op overmacht toe. De rechtbank oordeelt dat verzoekster een aanzienlijke verkeersfout heeft gemaakt. Daarentegen is echter niet gebleken dat verzoekster zich bewust was van het risico dat de naderende tram haar zou raken. Volgens de rechtbank ligt het voor de hand dat een voetganger niet zal oversteken als men bewust is van een naderende tram. Aan de hand van de omstandigheden oordeelt de rechtbank dat er aan de zijde van verzoekster geen sprake is van aan opzet grenzende roekeloosheid. De rechtbank concludeert dat GVB in ieder geval voor 50% aansprakelijk is.

 

Rechtbank Amsterdam 16 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2669

KLM aansprakelijk voor ongeval van werknemer in sportfaciliteit gedurende verplichte wachttijd?

Verzoeker was werkzaam als senior purser bij KLM. Tussen twee vluchten in was cliënt in de sportzaal van het crewhotel aan het sporten. Op enig moment is de stroom uitgevallen waardoor er geen verlichting meer was in de sportzaal. Bij het verlaten van de sportzaal is verzoeker van een trede gevallen ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. In deze deelgeschilprocedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of KLM aansprakelijk is voor de schade van haar werknemer. Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het ongeval is voorgevallen gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden ex art. 7:658 BW. De rechtbank stelt vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden gedurende de verplichtte wachttijd van verzoeker. Volgens vaste rechtspraak dient ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ ruim te worden uitgelegd. Dat het ongeval zich niet heeft voorgedaan op de ‘normale werkplek’, houdt niet in dat er geen sprake kan zijn van in de uitoefening van de werkzaamheden. De rechtbank oordeelt dat de verplichte wachttijd inherent is aan de werkzaamheden en verzoeker daarbij afhankelijk is van KLM omtrent de keuze voor het crewhotel. Daarentegen kan volgens de rechtbank de verplichtte wachttijd niet volledig als werktijd worden aangemerkt aangezien werknemers deze tijd naar eigen inzicht kunnen invullen. Daarbij zijn de werknemers niet verplicht om gebruik te maken van de sportfaciliteiten en heeft KLM evenmin zeggenschap over de activiteiten in de verplichte wachttijd. De rechtbank acht doorslaggevend dat KLM geen zeggenschap heeft over de activiteiten van verzoeker waardoor er een onvoldoende nauwe band bestaat tussen de uitoefening van de werkzaamheden als purser en het gebruik maken van de sportfaciliteiten. Op grond van art. 7:658 BW is KLM derhalve niet aansprakelijk. Evenmin is gebleken dat KLM tekort is geschoten in haar verplichtingen op grond van goed werkgeverschap. Derhalve kan de aansprakelijkheid niet op art. 7:611 BW worden gegrond. De kantonrechter wijst de verzoeken af.

 

Rechtbank Rotterdam 7 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4346

Hema aansprakelijk voor letsel van werknemer die gedurende het uitoefenen van haar werkzaamheden een gebakplaat op haar voet laat vallen?

Verzoekster werkte als verkoopmedewerkster bij Hema. Op 20 december 2014 was verzoekster doende om lege gebakplaten uit de vitrine te halen om deze vervolgens om te ruilen voor volle gebaksplaten in de koelruimte. Gedurende het omwisselen van deze gebakplaten is een van deze platen op de voet van verzoekster terecht gekomen ten gevolge waarvan zij letsel heeft opgelopen. In deze deelgeschilprocedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of Hema aansprakelijk is voor de schade van verzoekster. De kantonrechter acht Hema niet aansprakelijk aangezien er sprake is geweest van een zogenoemd ‘huis-, tuin- en keukenongeval’. De rechtbank acht het laten vallen van een gebakplaat vergelijkbaar met een thuissituatie waarbij men bijvoorbeeld een hete ovenschotel laat vallen. Dat de gebakplaat op zichzelf een gevaarlijk object is, is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat het werken met gebakplaten een structureel risico met zich brengt. Nu niet gebleken is dat er sprake is van een structureel risico, hoefde Hema daarvoor geen specifieke maatregelen te treffen. Verzoekster heeft diverse maatregelen aangevoerd welke volgens haar een schade als de onderhavige zouden voorkomen. De rechtbank concludeert weliswaar dat de door verzoekster genoemde maatregelen de schade hadden kunnen voorkomen maar dat dit in de gegeven omstandigheden niet van Hema gevergd kon worden aangezien deze maatregelen niet in verhouding staan tot het gevaar dat daarmee wordt voorkomen. De rechtbank acht Hema niet aansprakelijk en wijst de verzoeken af.