Uitspraken rechtbank

Gemeente aansprakelijk voor letsel van deelnemer aan re-integratieactiviteit op grond van art. 7:658 BW?

Rechtbank Noord-Holland 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:12236

Eiser ontving op basis van Participatiewet een uitkering van de gemeente. Vanuit de gemeente wordt er actief beleid gevoerd om mensen die een uitkering ontvangen te laten re-integreren. In het kader van deze re-integratie is eiser ingeschreven voor een project, waarbij men deelneemt aan diverse sporten. Tijdens dit project heeft eiser zijn voorste kruisband afgescheurd. In deze procedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of de gemeente aansprakelijk is voor het letsel van eiser. Eiser acht de gemeente aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW. Eiser stelt dat de gemeente niet aan haar zorgplicht heeft voldaan door voorafgaand aan de activiteiten geen medische intake bij eiser te verrichten, terwijl eiser wel werd ingezet als sportinstructeur en oefeningen moest doen. Eiser stelt dat het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan als de gemeente zich voldoende had laten informeren over de fysieke toestand van eiser en instructies had verschaft. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de gemeente en eiser. De verhouding tussen de gemeente en eiser is evenmin te kwalificeren als een verhouding van inlening. Volgens de rechtbank is niet vast komen te staan dat eiser als sportinstructeur werkzaamheden verrichtte, waardoor eiser als een deelnemer aan de sportactiviteiten dient te worden gezien. Niet is gebleken dat eiser een (productieve) arbeidsprestatie heeft verricht voor de gemeente, waardoor een eventuele aansprakelijkheid van de gemeente niet gegrond kan worden op art. 7:658 BW. Tevens baseert eiser de aansprakelijkheid van de gemeente op art. 6:162 BW en art. 6:171 BW. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat het niet voorafgaand laten verrichten van een medische intake indruist tegen de maatschappelijke betamelijkheid. Daarnaast is niet gebleken dat de gemeente eiser voorafgaand aan de activiteiten had moeten instrueren. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser dan ook af.

Kan Bovemij zich nog beroepen op eigen schuld indien in een eerder stadium in algemene bewoordingen aansprakelijkheid is erkend?

Rechtbank Midden-Nederland 9 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4748

Tussen verzoeker, een voetganger, en de verzekerde van Bovemij, een bestuurder van een snorfiets, heeft op 29 oktober 2021 een aanrijding plaatsgevonden. Zowel verzoeker als de bestuurder van de snorfiets hebben letsel opgelopen ten gevolge van de aanrijding. Bovemij heeft naar aanleiding van de aansprakelijkheidstelling van verzoeker per ongeluk een standaardbrief gezonden waarin is opgenomen dat aansprakelijkheid wordt erkend. Later heeft Bovemij verzoeker geïnformeerd dat zij voor 50% aansprakelijkheid erkent, aangezien zij van oordeel is dat er sprake is van medeschuld aan de zijde van verzoeker. Verzoeker is van oordeel dat Bovemij niet terug kan komen op haar eerdere erkenning. Aan de hand van het Haviltex-criterium oordeelt de rechtbank dat de eerdere erkenning niet inhoudt dat Bovemij volledige aansprakelijkheid heeft erkend. De rechtbank hecht er daarbij onder meer waarde aan dat het gaat om een art. 185 WVW zaak, inhoudende dat de snorfietser in beginsel volledig aansprakelijk is voor de schade. Daarbij betrof het een erkenning van aansprakelijkheid in algemene bewoordingen, waarbij Bovemij niet vermeldde dat de volledige schade zou worden vergoed. Verder achtte de rechtbank het van belang dat de erkenning van aansprakelijkheid in een vroeg stadium plaatsvond. Op basis van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat Bovemij zich nog kan beroepen op medeschuld van gedaagde. Aangezien de toedracht onvoldoende vaststaat, gaat de rechtbank er (voor nu) van uit dat Bovemij de schade volledig dient te vergoeden.

Is er sprake van groepsaansprakelijkheid bij in 'treintje' fietsende wielrenners waarbij een van hen in aanrijding komt met een voetganger?

Rechtbank Midden-Nederland 23 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4614

Eiseres liep als voetganger aan de rechterkant van de weg. Een drietal wielrenners naderde eiseres van achter. De wielrenners reden in een zogenoemd ‘treintje’ achter elkaar. De voorste wielrenner slaagde erin om eiseres te ontwijken, ondanks dat zij de weg opliep om over te steken. De tweede wielrenner slaagde er niet in om eiseres te ontwijken. Eiseres acht de tweede wielrenner aansprakelijk op grond van art. 6:162 BW en de wielrenners gezamenlijk op grond van art. 6:166 BW. De rechtbank oordeelt dat de middelste wielrenner in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De rechtbank oordeelt dat de tweede fietser onvoldoende afstand heeft gehouden om eiseres op een veilige wijze te kunnen passeren. Indien men rijdt met een snelheid van gemiddeld 29 kilometer per uur, zoals de wielrenners hebben verklaard, is het volgens de rechtbank van belang om tijdig te anticiperen op overige deelnemers. Dit hield in dat de tweede wielrenner in de gegeven omstandigheden zijn snelheid had moeten matigen. Nu er geen ander verkeer naderde vanuit de andere rijrichting, was het evenmin bezwaarlijk om verder naar links uit te wijken. Op basis van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de middelste wielrenner aansprakelijk is voor het letsel van eiseres. Vervolgens dient de rechtbank zich uit te laten over de vraag of er sprake is van groepsaansprakelijkheid ex art. 6:166 BW. Eiseres stelt dat de kans dat schade werd toegebracht door het gedrag van de wielrenners werd vergroot.  Dit had de wielrenners moeten weerhouden van het fietsen in een treintje. De wielrenners stellen daarentegen dat deelname aan een treintje niet onrechtmatig is en dat de kans op schade ten gevolge van dit gedrag niet noopte tot het weerhouden van deelname daaraan. De rechtbank oordeelt dat het fietsen in een treintje op zichzelf niet onrechtmatig is. Daarbij is de gedraging van de wielrenners niet dusdanig onvoorzichtig dat zij zich hiervan hadden behoren te weerhouden. Evenmin is gebleken dat de andere wielrenners door hun gedrag de kans op schade hebben vergroot en bewust hebben aanvaard. Er is aldus geen sprake van groepsaansprakelijkheid. De rechtbank oordeelt dat eiseres eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval, aangezien eiseres niet heeft gekeken of de weg vrij was voordat zij de weg opliep. Ook als eiseres, zoals zij stelt, is geschrokken van de wielrenners rechtvaardigt dat volgens de rechtbank niet dat zij zonder te anticiperen op het overige verkeer de weg is opgelopen. Nu eiseres bekend was met de situatie ter plaatse en het een weg betrof waar vanuit twee rijrichtingen met 60 kilometer per uur gereden mag worden, had van eiseres in de gegeven omstandigheden extra oplettendheid mogen worden verwacht. Met inachtneming van de billijkheidscorrectie oordeelt de rechtbank dat de tweede wielrenner aansprakelijk is voor 50% van de schade van eiseres.

Mocht een onder invloed verkerende bestuurder, die een verkeersongeval veroorzaakte, te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid gedekt zou worden door een verzekering?

Rechtbank Noord-Holland 21 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2922:11528

Gedaagde heeft als bestuurder van een auto, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, een verkeersongeval veroorzaakt. Ten gevolge van dit verkeersongeval heeft de bestuurder van de andere auto letsel opgelopen. De auto waarin gedaagde reed was verzekerd bij Achmea. Achmea heeft als WAM-verzekeraar de schade van de andere bestuurder vergoed. In deze procedure vordert Achmea de door haar uitgekeerde schade terug van gedaagde. Achmea stelt dat gedaagde in de gegeven omstandigheden niet te goeder trouw mocht aannemen dat de door hem veroorzaakte schade door een verzekering gedekt zou zijn. Als meest verstrekkende verweer stelt gedaagde dat er sprake is van rechtsverwerking, nu Achmea twee jaar na het ongeval gedaagde heeft aangesproken voor voldoening van de schade. Volgens de rechtbank is daarvan geen sprake. Evenmin is gebleken dat gedaagde daardoor onredelijk wordt benadeeld. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde een drietal verkeersfouten heeft begaan: het niet verlenen van voorrang, het besturen van een auto onder invloed van alcohol en het te hard rijden voorafgaand aan de aanrijding. Op basis van deze fouten, ook in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat gedaagde de door Achmea uitgekeerde schade dient terug te betalen. Nu het rijden onder invloed volgens art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 een misdrijf is, mag men indien hierdoor een ongeval wordt veroorzaakt, niet te goeder trouw aannemen dat de schade gedekt wordt door een verzekeraar. Nu gedaagde erkent dat hij zich ervan bewust was dat hij ten tijde van de aanrijding geen auto mocht besturen, was er volgens de rechtbank geen enkele reden voor gedaagde om te verwachten dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering zou worden gedekt. De bescherming van de goede trouw reikt dus niet zo ver dat gedaagde mocht aannemen dat bij het begaan van een misdrijf zijn aansprakelijkheid zou worden gedekt door een verzekering. Terzijde merkt de rechtbank op dat een andere uitkomst van deze kwestie maatschappelijk onbevredigend zou zijn, aangezien in dat geval het collectief van verzekerden de schade zou moeten dragen. Gedaagde dient de schade aan Achmea terug te betalen.

Trampolinepark aansprakelijk voor letsel bezoeker wegens het niet verschaffen van mondelinge instructies en het houden van onvoldoende toezicht?

Rechtbank Rotterdam 24 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:660

Op 8 september 2020 heeft verzoeker een bezoek gebracht aan een trampolinepark. Voorafgaand aan zijn bezoek heeft verzoeker geen mondelinge instructies gekregen en evenmin een document ondertekend waarin staat dat men op eigen risico deelneemt aan de springactiviteiten. In de jump area, die bestaat uit diverse trampolines welke van elkaar gescheiden worden door randen met een padding, is verzoeker op enig moment op een dergelijke padding gevallen. In deze procedure ligt de vraag voor of het trampolinepark aansprakelijk is voor het letsel van verzoeker ten gevolge van zijn val. Verzoeker stelt dat het trampolinepark een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen.  Verzoeker stelt onder andere dat de medewerkers hem onvoldoende hebben geïnstrueerd omtrent de specifieke gevaren die verbonden zijn aan het trampolinespringen en dat de medewerkers van het trampolinepark onvoldoende toezicht hebben gehouden. Het trampolinepark wijst aansprakelijkheid van de hand. Daartoe stelt zij onder andere dat verzoeker voorafgaand aan de val geen regels heeft overtreden en dat eventuele aanvullende (mondelinge) instructies en toezicht het ongeval niet hadden voorkomen. Aan de hand van de beschikbare camerabeelden oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat verzoeker voorafgaand aan zijn val enige regel heeft overtreden. Nu geen sprake is van overtreding van de geldende regels, bestaat er geen causaal verband tussen het onvoldoende houden van toezicht en/of het geven van mondelinge instructies en de val van verzoeker. Evenmin is gebleken dat de paddings gebrekkig waren in de zin van art. 6:174 BW. De rechtbank acht het trampolinepark niet aansprakelijk en wijst de verzoeken af.

Klaverblad gerechtigd om betalingen onder een arbeidsongeschiktheidsverzekering terug te vorderen wegens schending van mededelingsplicht?

Rechtbank Oost-Brabant 15 februari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:600

Eiser heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Klaverblad. In verband met rugklachten heeft eiser in 2015 een beroep gedaan op deze arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarna hij op enig moment weer werkzaamheden is gaan verrichten. Nadien heeft eiser nog tweemaal een beroep gedaan op deze arbeidsongeschiktheidsverzekering. Op enig moment is Klaverblad een feitenonderzoek gestart naar eiser. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek is Klaverblad op de hoogte geraakt van een mail van eiser aan zijn aansprakelijkheidsverzekeraar in verband met tegelwerkzaamheden. Deze mail is afkomstig uit de periode waarin eiser aangaf niet in staat te zijn om te werken. Naar aanleiding van de naar voren gekomen feiten uit het feitenonderzoek heeft Klaverblad besloten om een persoonlijk onderzoek naar eiser te verrichten. Uit dit persoonlijk onderzoek is gebleken dat eiser meer werkzaamheden verrichtte dan hij aangaf en daarbij tevens in staat was om fysieke werkzaamheden te verrichten. Eiser informeerde Klaverblad eerder dat hij niet in staat was tot fysieke arbeid. Daaropvolgend heeft Klaverblad eiser geïnformeerd dat zij zich beroept op art. 7:941 lid 5 BW, dat het recht op uitkering vervalt en Klaverblad aanspraak maakt op de reeds door haar verrichtte betalingen. Zowel eiser als Klaverblad hebben in deze procedure eisen ingesteld. De gezamenlijke vraag daarbij is – kort gezegd – of Klaverblad terecht een persoonlijk onderzoek heeft verricht en de reeds gedane betalingen van eiser terug mag vorderen. De rechtbank oordeelt dat het feitenonderzoek leidde tot genoeg gerede twijfel om een persoonlijk onderzoek door Klaverblad te kunnen rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat eiser het verrichten van zijn eerdere werkzaamheden aan Klaverblad had moeten melden. Nu eiser Klaverblad diverse malen niet en in sommige gevallen onjuist heeft geïnformeerd, terwijl dat wel van belang was voor de beoordeling van de uitkering, oordeelt de rechtbank dat er sprake is van opzettelijke misleiding in de zin van art. 7:941 lid 5 BW.

Is een schade die door de jaren heen geleidelijk ontstaat te kwalificeren als een plotselinge en onvoorziene schade?

Rechtbank Rotterdam 15 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1558

Eiseres exploiteert een reconditioneringsbedrijf waarvoor zij onder andere gebruik maakt van een stoomketel. Ten behoeve van deze ketel heeft eiseres een machinebreukverzekering afgesloten in 2018. Een eerdere verzekering van deze ketel was door de voormalig verzekeraar opgezegd, omdat deze ketel te oud was. Op enig moment is de ketel beschadigd geraakt. Eiseres heeft deze schade gemeld bij haar verzekeraar. De verzekeraar weigerde dekking te verlenen. Een in opdracht van eiseres verricht onderzoek heeft aangetoond dat de scheuren een gevolg zijn van vermoeiing. Tussen eiseres en de betrokken verzekeraar bestaat discussie omtrent de vraag of de schade gedekt is onder de verzekering. Partijen verschillen daarbij van mening over de vraag of de schade gedekt is onder art. 2.2 van de tussen partijen van toepassing zijnde polisvoorwaarden. Art. 2.2 van de polisvoorwaarden luidt als volgt: ‘Verzekerd is elke plotselinge en onvoorziene materiële schade aan het verzekerde object, ongeacht op welke wijze of door welke oorzaak deze is ontstaan, met inbegrip van de aard van- of een gebrek van het object zelf.’ Eiseres meent dat de verzekeraar dekking dient te verlenen, aangezien sprake is van plotselinge en onvoorziene materiële schade aan de ketel. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van plotselinge en onvoorziene materiële schade, aangezien de scheurvorming in de ketel geleidelijk is ontstaan. Daarnaast beroept de verzekeraar zich op een uitsluiting, die inhoudt dat als sprake is van slijtage door normaal gebruik de verzekeraar geen dekking verleent. De rechtbank oordeelt aan de hand van de beschikbare rapporten dat de schade een gevolg is van een geleidelijk proces van beschadiging van de ketelwand. Dat de ketel bij inspectie diverse malen is goedgekeurd en pas bij een latere keuring de schade is geconstateerd, doet volgens de rechtbank aan het voorgaande niet af. Blijkens de polisvoorwaarden is schade door een eigen gebrek gedekt, mits sprake is van schade die plotseling en onvoorzien is. Nu de schade geleidelijk door de jaren heen is ontstaan, is geen sprake van plotselinge en onvoorziene schade. De schade valt dus niet onder de dekking van de verzekering.

Loodgieter aansprakelijk voor herstelkosten aan door hem uitgevoerde werkzaamheden zonder dat hij in gebreke is gesteld?

Rechtbank Rotterdam 16 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1200

Eiser heeft gedaagde ingeschakeld om een rioolbuis te vervangen in verband met wateroverlast. Ondanks dat gedaagde deze werkzaamheden heeft verricht, bleef de wateroverlast terugkeren. Na onderzoek is gebleken dat gedaagde een T-stuk over het hoofd heeft gezien, waardoor het water niet weg kon. Eiser heeft een derde ingeschakeld om het voorgaande te verhelpen zonder gedaagde in gebreke te stellen. In deze procedure vordert eiser de daarmee gepaard gaande kosten. Op grond van art. 6:74 BW kan men pas schadevergoeding vorderen indien de schuldenaar ex art. 6:82 BW in verzuim is. Eiser heeft gedaagde niet in gebreke gesteld. Ook is het verzuim van gedaagde niet op andere wijze ingetreden. De Hoge Raad heeft in 2019 geoordeeld dat een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn of dat kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven voor het intreden van verzuim. Het gaat daarbij volgens de Hoge Raad niet om strakke regels. Deze regels beogen om in de gegeven omstandigheden tot een redelijke oplossing te komen, daarbij rekening houdend met het feit dat partijen vaak zonder specifieke kennis van de wetgeving handelen. Bij de leer van de redelijke uitkomst gaat het om een redelijke toetsing van alle relevante omstandigheden van het geval en wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van partijen mag worden verwacht. Eiser stelt dat hij ter voorkoming van verdere schade het bedrijf dat de tekortkoming constateerde diezelfde dag de opdracht heeft gegeven om het gebrek te verhelpen. De rechtbank hecht er waarde aan dat gedaagde in een eerder stadium in de gelegenheid is gesteld om de situatie te onderzoeken waarbij de oorzaak van de wateroverlast niet is achterhaald. Eiser heeft, na achterhaling van de oorzaak, gedaagde geïnformeerd over de oorzaak van de schade. Bij deze kennisgeving is gedaagde niet verzocht om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Daarentegen heeft gedaagde eiser zelf ook niet aangeboden om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Op basis van de omstandigheden van het geval oordeelt de kantonrechter dat eiser een derde mocht inschakelen zonder gedaagde in gebreke te stellen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat gedaagde, ondanks het feit dat hij niet in gebreke is gesteld, gehouden is om de redelijke kosten aan eiser te vergoeden.

Staat als werkgever aansprakelijk voor gebrekkige trap?

Rechtbank Den Haag 23 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2748

Verzoekster is gedurende het uitvoeren van haar werkzaamheden gestruikeld op een trap en gevallen. Aangezien verzoekster een publieke functie bekleedde, heeft zij de Staat aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van voornoemde val. Daartoe stelt verzoekster dat de inrichting van de trap niet voldeed aan de geldende veiligheidsnormen in verband met de aanwezigheid van een openstaande rand bij de trap. Kennelijk waren er voor de val van verzoekster ook al enkele valincidenten voorgevallen. Het was volgens verzoekster derhalve aan de Staat om maatregelen te treffen om de mogelijkheid op schade zoveel als mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. De Staat verweert zich door te stellen dat sprake is van een alledaags gevaar. Volgens de Staat was er geen aanleiding om aan te nemen dat sprake was van een meer dan alledaags risico bij het op- en/of aflopen van de desbetreffende trap. De aanwezigheid van een antislipricheltje maakt dat volgens de Staat niet anders. In deze deelgeschilprocedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of de Staat aansprakelijk is voor de schade van verzoekster wegens een schending van haar zorgplicht. De rechtbank gaat er in deze procedure vanuit dat verzoekster achter de openstaande rand is blijven haken en vervolgens is gevallen. De kantonrechter oordeelt dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een alledaags gevaar. Uit eerdere onderzoeken is naar voren gekomen dat de openstaande rand geëgaliseerd diende te worden en dat de uitvoering van de trap weliswaar voldeed aan de normen zoals vervat in het Bouwbesluit, maar dat met name de openstaande richels voor verbetering vatbaar waren. Aan de hand van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de trap op een zodanige wijze was uitgevoerd dat daardoor ongevallen konden ontstaan. Dit blijkt volgens de rechtbank ook uit de omstandigheid dat na plaatsing van de trap zich diverse (val)incidenten hebben voorgedaan. Het verweer van de staat dat werknemers rekening dienen te houden met traptreden die voorzien zijn van richels houdt volgens de rechtbank geen stand. Routinematig gedrag op het werk leidt namelijk tot verminderde voorzichtigheid en oplettendheid bij werknemers, waarbij van deze werknemers niet verwacht kan worden dat zij bij iedere stap op een trap rekening houden met valgevaar. De Staat had aldus maatregelen moeten treffen. De rechtbank wijst de verzoeken toe.

Scooterrijder aansprakelijk wegens niet verlenen van voorrang aan motorrijder die maximum toegestane snelheid ruimschoots overschreed?

Rechtbank Oost-Brabant 2 maart 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:996

Op 11 oktober 2021 is verzoeker, rijdend op zijn motor, op een voorrangsweg in aanraking gekomen met een scooterrijder. Op deze voorrangsweg gold een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Uit onderzoek is gebleken dat verzoeker voorafgaand aan de aanrijding met een snelheid van circa 131 kilometer per uur reed. Zowel verzoeker als de betrokken scooterrijder hebben ernstig letsel opgelopen. In deze procedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of de scooterrijder voor 50% aansprakelijk is voor het letsel van verzoeker. Verzoeker is van oordeel dat de scooterrijder onrechtmatig jegens hem handelde door geen voorrang te verlenen. Dat verzoeker zich daarbij niet aan de verkeersregels hield, doet daar volgens verzoeker niet aan af. Achmea, de verzekeraar van de scooterrijder, stelt dat het niet verlenen van voorrang niet aan haar verzekerde kan worden toegerekend aangezien verzoeker de snelheidslimiet aanzienlijk overschreed. De rechtbank haalt aan dat in de regel een voorrangsfout zwaarder weegt dan een overschrijding van de maximumsnelheid. Verkeersdeelnemers dienen er immers rekening mee te houden dat andere weggebruikers harder rijden dan de maximum toegestane snelheid. De rechtbank merkt daarbij wel op dat het dient te gaan om een in redelijkheid te verwachten overschrijding van de snelheidslimiet. Nu verzoeker 131 kilometer per uur reed waar slechts 50 kilometer per uur is toegestaan, is er volgens de rechtbank sprake van een extreme en uitzonderlijke snelheidsovertreding. Deze overtreding heeft in zeer hoge mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Niet is gebleken dat de scooterrijder een verkeersfout heeft gemaakt aangezien verzoeker op het beslismoment van de scooterrijder om over te steken 36 meter verwijderd was van de kruising. De rechtbank wijst de verzoeken af.

Verliest ASR recht op aanspraak van €245.000,- door het op ondeugdelijke gronden verrichten van persoonlijk onderzoek?

Rechtbank Gelderland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:1202

Gedaagde heeft op 15 maart 2019 een verzekeringsovereenkomst met ASR gesloten. In de algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst is opgenomen dat een verzekerde bij fraude geen recht heeft op uitkering. In mei 2019 heeft er een brand gewoed in de schuur van gedaagde waarin eveneens zijn kantoor was gevestigd. Ten aanzien van de kosten voor het herbouwen van de schuur heeft ASR eerst een gedeelte voldaan en vervolgens herbouwnota’s opgevraagd alvorens tot nadere betalingen over te gaan. Omdat gedaagde aan voornoemd verzoek van ASR geen gehoor gaf, heeft ASR I-tek, een onderzoeksbureau, ingeschakeld voor het verrichten van een interview met gedaagde. Voorafgaand aan het bezoek van I-tek stuurde gedaagde drie nota’s toe van dezelfde firma. Van deze firma bleek gedaagde indirect enig aandeelhouder en directeur te zijn. I-tek heeft informatie ingewonnen bij derden omtrent de door gedaagde geclaimde inboedelgoederen. Uit de ingewonnen informatie bleek dat gedaagde niet de waarheid vertelde omtrent de inboedelgoederen. Vervolgens heeft ASR gedaagde verzocht de reeds verrichtte betalingen te retourneren, de kosten van het onderzoek te vergoeden en de verzekeringen opgezegd. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden van doorslaggevend belang of ASR gerechtigd was om een persoonlijk onderzoek naar gedaagde te verrichten. Derhalve dient een belangenafweging gemaakt te worden tussen de inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verzekerde door het verrichten van een persoonlijk onderzoek en het belang van de verzekeraar om oneigenlijk gebruik van de verzekering te voorkomen. Bij het instellen van een persoonlijk onderzoek dient ASR – blijkens de gedragscode – zich te houden aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank oordeelt dat wegens het uitblijven van een reactie van gedaagde ASR over mocht gaan tot het inschakelen van I-Tek. Omdat gedaagde voorafgaand aan het bezoek van I-tek enkele nota’s heeft gestuurd, was het aan ASR om eerst zelf contact met gedaagde op te nemen in plaats van I-tek. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat gedaagde in dat geval niet naar waarheid de vragen zou beantwoorden. Door de opdracht aan I-tek niet in te trekken heeft ASR in strijd gehandeld met het subsidiariteitsbeginsel. Nu ASR in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode, mag zij de informatie die is voortgekomen uit het persoonlijk onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet gebruiken. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de vordering van ASR ter hoogte van circa €245.000,- wordt afgewezen.