Uitspraken rechtbank

Rechtbank Den Haag 11 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8547

50%-regel van toepassing bij een aanrijding tussen een voetganger en een tram?

Verzoekster is als voetganger betrokken geraakt bij een aanrijding met een tram van HTM. Uit de kenmerkenmelding van de politie blijkt dat verzoekster zonder naar links te kijken de tramrails overstak. Op deze tramrails kwam een tram aanrijden. Deze tram was niet (meer) in staat om een aanrijding met verzoekster te voorkomen. Ten tijde van de aanrijding was het slecht weer waardoor verzoekster met een paraplu liep hetgeen haar zicht belemmerde. In deze deelgeschilprocedure dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of HTM (volledig) aansprakelijk is voor de schade van verzoekster. Verzoekster stelt dat de trambestuurder in strijd heeft gehandeld met art. 6:162 BW en/of art. 185 WVW. HTM stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden is om méér dan 50% van de schade te vergoeden. Aangezien een aanrijding tussen een tram en een kwetsbare verkeersdeelnemer, zoals een voetganger, evengoed ernstige gevolgen kan hebben, mag volgens de rechtbank van een trambestuurder een zelfde zorgvuldigheid verlangd worden als van de bestuurder van een motorvoertuig. Dat een tram geen motorvoertuig is in de zin van de Wegenverkeerswet doet daaraan niet af. Derhalve is de 50%-regel van toepassing. De rechtbank oordeelt dat de ongevalslocatie geen voetgangersoversteekplaats is waardoor de tram geen voorrang aan verzoekster hoefde te verlenen. Bovendien is niet gebleken, zoals verzoekster stelt, dat de belsignalen en verkeerslichten niet functioneerden. Verzoekster heeft daarnaast haar eigen zicht belemmerd door over te steken met opgestoken paraplu alhoewel zij op de hoogte was van de drukte van de ochtendspits en de onoverzichtelijke kruising. Verzoekster had dan ook voorrang dienen te verlenen aan de tram. Volgens de rechtbank heeft de trambestuurder onvoldoende geanticipeerd op een plots overstekende voetganger. De rechtbank komt tot de slotsom dat het ongeval in overwegende mate is veroorzaakt door verzoekster waardoor HTM aansprakelijk is voor 50% van de schade. De rechtbank acht het verwijt aan de trambestuurder onvoldoende zwaar om een billijkheidscorrectie toe te passen.

Rechtbank Den Haag 8 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9219

Politie en/of Staat aansprakelijk wegens aanhouding journalist bij demonstratie?

Bij een demonstratie van Extintion Rebellion heeft de politie een busje met daarin negen personen staande gehouden. Eiser, een journalist, was een van deze negen personen. De aanwezigen in de bus maakten opnames van de politieagent die hen staande hield. De commandant heeft vervolgens aangegeven dat alle inzittenden aangehouden dienden  te worden en geen gebruik meer mochten maken van aanwezige elektronische apparaten. Aangezien de journalist geen gehoor gaf aan dit verzoek is op enig moment zijn telefoon ingenomen. Ondanks dat eiser zijn politieperskaart en rijbewijs toonde, is hij toch meegenomen naar het politiebureau. De politie en het OM hebben ook nog enkele berichten op Twitter geplaatst over dit voorval. Eiser stelt dat deze berichtgeving suggereert dat hij de aanhouding over zichzelf zou hebben afgeroepen. In deze procedure vordert eiser een verklaring voor recht dat de Staat en de politie onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en om een rectificatie te plaatsen naar aanleiding van de eerdere mediaberichten. Volgens eiser was er geen wettelijke grondslag voor zijn aanhouding en de inbeslagname van zijn telefoon. Daarnaast zou uit zijn perskaart voldoende moeten blijken dat hij niet als actievoerder aanwezig was. Aangezien de journalist onderdeel was van een groep die voornemens was een weg te blokkeren en hij geen gehoor gaf aan bevelen, terwijl het een aanhouding naast de weg betrof, hoefde de agent volgens de rechtbank niet ter plaatse de identiteit van de journalist te controleren. Evenmin is gebleken dat de politie en/of de Staat een ontoelaatbare inbreuk hebben gemaakt op het recht van vrije nieuwsgaring ex art. 10 EVRM. De rechtbank wijst de vorderingen af.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5346

Verlies aan (vrije) tijd te kwalificeren als vermogensschade? 

Verzoekster is betrokken geraakt bij een verkeersongeval waarbij zij hersenletsel heeft opgelopen. ZLM, de verzekeraar van de andere betrokken partij, heeft reeds aansprakelijkheid erkend. In het rapport van de neurologische expertise is opgenomen dat er sprake is van licht verhoogde geestelijke vermoeibaarheid. In deze deelgeschilprocedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of ZLM gehouden is om voor het aantal uren dat verzoekster meer rust en/of slaapt een vergoeding per uur dient te betalen. Verzoekster is van oordeel dat deze extra uren rust/slaap per dag op geld waardeerbaar zijn waardoor er sprake is van vermogensschade. De rechtbank merkt op dat verzoekster ten tijde van het ongeval arbeidsongeschikt was. De verloren tijd door meer slaap/rust was aldus vrije tijd. Volgens de rechtbank zijn er geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat deze vrije tijd op geld waardeerbaar is. Derhalve dient dit verlies aan tijd gekwalificeerd te worden als ander nadeel en niet als vermogensschade. Het verlies aan vrije tijd dient zodoende betrokken te worden bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld. De rechtbank wijst de verzoeken af.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5457

Ziekenhuis aansprakelijk voor (onrechtmatig) inzien medische gegevens door voormalig werknemer?

Eiseres is tussen 1991 en 2018 een aantal keer behandeld in het Bravis Ziekenhuis. De ex-partner van eiseres heeft een boek geschreven over hun echtscheidingsperikelen. In dit boek zijn eveneens medische gegevens van eiseres opgenomen. Het boek is uitgegeven door de nieuwe partner van de ex-partner welke geruime tijd heeft gewerkt in het Bravis Ziekenhuis. Gebleken is dat de nieuwe partner veelvuldig heeft ingelogd in het patiëntendossier van eiseres. In een andere procedure is (verdere) verspreiding van het boek verboden. In deze procedure ligt aan de rechtbank de vraag voor of het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade in verband met onrechtmatig handelen. Eiseres is van oordeel dat het Bravis Ziekenhuis als werkgever aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van haar werkneemster op grond van art. 6:170 BW. Daarnaast zou het Bravis ziekenhuis zelf onrechtmatig gehandeld hebben jegens eiseres door onvoldoende maatregelen te treffen. Aangezien de nieuwe partner, zonder daartoe bevoegd te zijn, in het patiëntendossier van eiseres heeft gekeken dient het volgens eiseres er voor gehouden te worden dat deze medische gegevens ook gedeeld zijn met de ex-partner en vervolgens zijn opgenomen in het boek. De rechtbank neemt in ogenschouw dat voor een beroep op art. 6:170 BW het functioneel verband tussen de fout van de voormalig werknemer en de aan haar opgedragen taak ruim dient te worden uitgelegd. Aan de hand van dit ruime criterium oordeelt de rechtbank dat het Bravis Ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade van eiseres op grond van art. 6:170 BW. Tevens ligt aan de rechtbank de vraag voor of het Bravis ziekenhuis voldoende technische en organisatorische maatregelen heeft getroffen om een situatie als de onderhavige te voorkomen. De rechtbank oordeelt dat het controlebeleid van het ziekenhuis onvoldoende was hetgeen eveneens een onrechtmatige daad jegens eiseres oplevert. Het Bravis ziekenhuis is aansprakelijk voor de schade van eiseres en wijst de vorderingen deels toe.

Rechtbank Rotterdam 22 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7943

Wettelijk vertegenwoordiger gehouden verplichtingen uit overeenkomst na te komen die door stiefvader zijn getekend?

Stichting Yuverta heeft een iPad voorgefinancierd voor de dochter van gedaagde 1 en 2. Yuverta stelt dat gedaagde 1 en 2 tekortschieten in de nakoming van hun betalingsverplichting jegens Yuverta. Gedaagde 1 is niet verschenen waardoor de vorderingen jegens gedaagde 1 zijn toegewezen. Gedaagde 2 betwist dat hij verantwoordelijk is voor de kosten van de iPad aangezien zijn dochter al enige tijd niet meer woonachtig is bij hem. Gedaagde 2 stelt  pas bij het overhandigen van de dagvaarding bekend geworden te zijn met de zaak. De betalingsregeling is noch door gedaagde 1 en/of gedaagde 2 getekend. De regeling is elektronisch ondertekend door de nieuwe partner van gedaagde 1.  Yuverta heeft slechts aangevoerd dat gedaagde 2 als wettelijk vertegenwoordiger gehouden is het bedrag te betalen. In de verhouding tussen Yuverta en gedaagde 2 oordeelt de rechtbank dat de dochter van gedaagde 2 onbevoegd vertegenwoordigd is door de nieuwe partner van gedaagde 1. Zonder bijkomende omstandigheden kan de wettelijke aansprakelijkheid van gedaagde 2 niet gegrond worden op niet nakoming van een door een derde onbevoegd gesloten en buiten zijn zicht gesloten overeenkomst zonder zijn instemming. Daarbij was het volgens de rechtbank aan Yuverta om te constateren dat de overeenkomst niet ondertekend was door de wettelijk vertegenwoordiger. De rechtbank wijst de vordering jegens gedaagde 2 af.

Rechtbank Rotterdam 23 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8030

Tekortkoming van advocaat door in hoger beroep niet tijdig de grondslag te wijzigen?

Eisers hebben een pand laten verbouwen tot een bed & breakfast. Op enig moment is er onenigheid ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden. In verband met daarna geconstateerde gebreken hebben eisers de betrokken aannemer op enig moment gedagvaard. De rechtbank heeft de vorderingen van eisers afgewezen en de vorderingen in reconventie van de aannemer gedeeltelijk toegewezen. Na dit vonnis hebben eisers zich gewend tot gedaagde voor juridisch advies. Gedaagde heeft hen uiteindelijk bijgestaan in de procedure bij het hof. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Bij de mondelinge behandeling heeft gedaagde de grondslag van de vordering gewijzigd. Het hof oordeelde dat als men haar grondslag wenst te wijzigen men dat in de memorie van grieven ondubbelzinnig moet doen. In deze procedure dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of gedaagden tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door (onder andere) de grondslag onvoldoende duidelijk en ondubbelzinnig tijdig te wijzigen. Aangezien er sprake is van een overeenkomst van opdracht geldt voor een beroepsbeoefenaar als een advocaat dat deze de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in acht moet nemen. Meer specifiek bij het voeren van een procedure houdt dit dat een advocaat zijn cliënt niet mag blootstellen aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Nu gedaagde niet heeft betwist dat hij wist dat de vordering op grond van de eerder aangevoerde grondslag zou worden afgewezen, was dit een voorzienbaar en vermijdbaar risico. Ook het onvoldoende duidelijk en ondubbelzinnig tijdig wijzigen van de grondslag is volgens de kantonrechter een vermijdbaar risico. Het is daarbij niet aan de kantonrechter om beslissingen van het hof aan een nieuwe beoordeling te onderwerpen. Ook de vraag of de vordering op de gewijzigde grondslag zou zijn toegewezen acht de kantonrechter irrelevant voor beantwoording van de vraag of gedaagde eisers heeft blootgesteld aan een voorzienbaar en vermijdbaar risico. De advocaat heeft zijn zorgvuldigheidsplicht geschonden.

Rechtbank Limburg 28 september 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7570

Cavemanrun aansprakelijk voor letsel van deelneemster na sprong op ‘Big Airbag’?

Eiseres heeft als deelnemer meegedaan aan de Cavemanrun in 2017. Bij een van de obstakels diende eiseres op de zogenaamde Big Airbag te springen. Eiseres is toegelaten bewijs te leveren van haar stelling dat de Big Airbag onvoldoende met lucht was gevuld waardoor zij onvoldoende is opgevangen en met haar benen de grond heeft geraakt. Als eiseres slaagt in het leveren van dit bewijs, dan dient zij de schade voor een-derde zelf te dragen. Zowel eiseres als Caveman Run B.V. de organisator van de Cavemanrun, hebben getuigen gehoord. De rechtbank oordeelt dat voor de bewezenverklaring er geen absolute zekerheid hoeft te bestaan omtrent de vraag of het kussen voldoende met lucht gevuld was. Het dient er om te gaan dat deze feiten voldoende aannemelijk worden gemaakt. Eiseres heeft zichzelf doen horen ter voldoening aan de bewijsopdracht. De vraag is of er voldoende steunbewijs aanwezig is die de verklaring van eiseres voldoende geloofwaardig maken. Cavemanrun B.V. heeft de installateurs en toezichthouders van de Big Airbag gehoord. Aan de hand van deze verklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat het kussen alleen onvoldoende met lucht kan zijn gevuld als er een gebrek in het kussen zit of de pompen gebrekkig functioneren. De rechtbank acht het voorgaande onvoldoende aangetoond aangezien er zowel voor als na de sprong van eiseres deelnemers gesprongen zijn zonder daarbij letsel te hebben opgelopen. De rechtbank acht het letsel van eiseres dan ook een gevolg van een ongelukkige landing van eiseres op het kussen. Eisers is niet geslaagd in de aan haar opgedragen bewijslevering.