Arresten Hoge Raad – nieuwsbrief maart 2021 AVV

Parket bij de Hoge Raad 15 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:40 (Conclusie A-G Hartlief)

A-G Hartlief becommentarieert de aansprakelijkheid in een sport- en spelsituatie. In deze zaak heeft een sliding tijdens een amateurvoetbalwedstrijd uiteindelijk geleid tot amputatie van het linkeronderbeen van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft de maker van de sliding aansprakelijk gesteld voor zijn schade. De rechtbank en het hof hebben de vordering van het slachtoffer in een eerder stadium afgewezen. A-G Hartlief merkt allereerst op dat er binnen een sport- en spelsituatie een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel geldt, inhoudende dat een bepaalde gedraging, zoals bijvoorbeeld een tackle bij voetbal, buiten de context van een sport- en spelsituatie onrechtmatig is waarbij dit binnen de context van de sport- en spelsituatie geoorloofd is. Hartlief merkt daarbij op dat het louter overtreden van een spelregel en de eventuele ernst van het letsel een overtreding nog niet onrechtmatig maken. Hartlief concludeert tot afwijzing van aansprakelijkheid aangezien uit het feitencomplex niet blijkt van een buitensporige overtreding. Resumerend stelt Hartlief dan ook dat aansprakelijkheid in sport- en spelsituaties niet snel dient te worden aangenomen aangezien dit ‘de doodsteek’ zou zijn voor diverse sporten en tot een stortvloed aan claims zou leiden. De verhoogde aansprakelijkheidsdrempel heeft daarentegen wel een keerzijde. Het is voor een benadeelde in een sport- en spelsituatie vaak lastig om aan te tonen wat er zich in de sport- en spelsituatie daadwerkelijk heeft afgespeeld. Bij amateurwedstrijden zullen er meestal geen videobeelden beschikbaar zijn en daarbij zijn de aanwezige getuigen, buiten de scheidsrechter, veelal partijdig. Er is dus in sport- en spelsituaties beperkt ruimte voor het aannemen van aansprakelijkheid, óók in de gevallen waar dit wel gerechtvaardigd is. Hartlief is niet voor een verlaging van de aansprakelijkheidsdrempel in sport- en spelsituaties maar stelt voor om een schadeverzekering voor voetballers te introduceren.

Hoge Raad 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178

In deze zaak heeft Aegon geweigerd uitkering te doen aan de begunstigden van een overlijdensrisicoverzekering wegens schending van de mededelingsplicht van de verzekeringnemer. De onderneming van verzekeringnemer is failliet gegaan en vervolgens was de verzekeringnemer vermist. Aegon heeft de curator bericht dat zij de vernietiging van de verzekeringsovereenkomst inroept wegens een eerdere schending van de mededelingsplicht door de verzekeringnemer. De begunstigden vorderen een verklaring voor recht dat Aegon gehouden is dekking te verlenen onder de verzekeringsovereenkomst. Art. 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar de gevolgen van het schenden van de mededelingsplicht slechts kan inroepen, indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na het ontdekken van het schenden van de mededelingsplicht wijst op de gevolgen van het schenden van deze plicht. De Hoge Raad oordeelt dat de curator niet bevoegd was om kennis te nemen van het bericht van Aegon en Aegon derhalve niet heeft voldaan aan haar kennisgevingsplicht. De Hoge Raad overweegt dat in dit geval de kennisgeving gericht had moeten worden aan de erfgenaam of erfgenamen als de rechtsopvolger(s) van de verzekeringnemer onder algemene titel. Daarnaast kan art. 7:983 lid 3 BW met zich meebrengen dat de verzekeraar onder omstandigheden gehouden is bepaalde derden, waaronder een begunstigde die de aanwijzing heeft aanvaard, te informeren over het beroep op het schenden van de mededelingsplicht. Aegon heeft in de gegeven omstandigheden aldus niet aan haar kennisgevingsplicht voldaan.