Arresten Hoge Raad – nieuwsbrief AV&V

Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1082

Als gevolg van het gebruik van een radiaire plombe bij een oogoperatie zijn complicaties opgetreden. Verweerder spreekt het Radboudumc aan voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de netvliesoperatie en de daarop volgende behandelingen. Aan de Hoge Raad ligt de vraag voor of sprake is van een tekortkoming indien bij de operatie een zaak is gebruikt die ten tijde van de behandeling ‘state of the art’ is maar op grond van later opgekomen medische inzichten niet geschikt wordt bevonden. Deze vraag wordt door de Hoge Raad ontkennend beantwoord. Indien bij een geneeskundige behandeling een zaak in het lichaam van de patiënt wordt aangebracht die ten tijde van de behandeling “state of the art” is, brengt het enkele feit dat de zaak op grond van naderhand opgekomen medische inzichten naar haar aard niet langer geschikt wordt bevonden voor de desbetreffende behandeling, niet mee dat het gebruik van die zaak als een tekortkoming moet worden aangemerkt. Aan toepassing van art. 6:77 BW wordt in dat geval dus niet toegekomen. Een andere opvatting verdraagt zich niet met de aard van de medische behandelingsovereenkomst en de daarbij door de hulpverlener in acht te nemen zorg (art. 7:453 BW). Dit strookt ermee dat evenmin een tekortkoming bestaat indien een arts een behandeling toepast die op dat moment naar gangbare medische inzichten de juiste is, maar die nadien als gevolg van nieuw opgekomen medische inzichten niet langer als state of the art wordt beoordeeld. Er bestaat geen grond op dit punt verschillend te oordelen al naar gelang het gaat om een bij de behandeling gebruikte zaak of om de behandeling als zodanig.

Hoge Raad 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38

In dit arrest beantwoordt de Hoge Raad de vraag of art. 612 Rv (verwijzing naar schadestaat) kan worden toegepast in geval van veroordeling van een borg tot schadevergoeding op grond van art. 7:854 BW. De Hoge Raad overweegt dat art. 612 Rv alleen van toepassing is op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, zoals die uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Art. 612 Rv is in beginsel dan ook niet van toepassing indien uit een rechtshandeling een primaire verplichting tot schadevergoeding voortvloeit en deze verplichting niet wordt nagekomen. Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat een redelijke en op de praktijk afgestemde wetstoepassing meebrengt dat op deze regel een uitzondering moet worden aanvaard indien de verplichting van de borg tot schadevergoeding berust op art. 7:854 BW. Deze verplichting strekt immers tot schadevergoeding in geld verschuldigd op grond van de niet-nakoming van een verbintenis van de hoofdschuldenaar strekkende tot iets anders dan betaling van een geldsom. Hiermee heeft de verplichting van de borg betrekking op een wettelijke verplichting van de hoofdschuldenaar tot schadevergoeding.