Arresten Hoge Raad

Hoge Raad 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1750

Vergoeding van affectieschade wanneer er geen sprake is van een blijvende invaliditeit van 70%

In deze procedure ligt aan de Hoge Raad de vraag voor of het hof terecht een vergoeding van affectieschade heeft toegewezen wegens het toebrengen van ernstig en blijvend letsel bij een levensgezel van het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer met een golfstick geslagen. Het hof heeft vastgesteld dat de mishandeling zowel fysiek als psychisch voor het slachtoffer grote gevolgen heeft. Dit onder andere omdat er sprake is van blijvend hersenletsel dat niet operatief verholpen kan worden. Daarbij is gebleken dat het slachtoffer lange tijd niet in staat is geweest om te werken en door haar letsel gehinderd wordt in het dagelijks leven. De Hoge Raad dient zich uit te laten over de vraag of het hof in de gegeven omstandigheden terecht heeft vastgesteld dat er sprake is van ernstig en blijvend letsel. De Hoge Raad stelt dat voor toewijzing van vergoeding van affectieschade een ‘bijzondere ernst van letsel’ vereist is. De Hoge Raad oordeelt dat in de gevallen waarin geen 70% blijvende invaliditeit, zoals genoemd in de wetsgeschiedenis, vast kan worden gesteld de rechter ook aan de hand van de invloed op het leven van de gekwetste en naaste betrokkenen kan oordelen dat een vergoeding van affectieschade op zijn plaats is. Aan de hand van de omstandigheden van het geval heeft het hof geoordeeld dat het letsel en de gevolgen dusdanig ernstig zijn dat voldoende vast is komen vast te staan dat de benadeelde voor een vergoeding van affectieschade in aanmerking komt. De Hoge Raad constateert dat het hof de blijvende functiestoornis van het slachtoffer niet heeft vastgesteld. Daarnaast heeft het hof de impact van het letsel op het leven van de levensgezel van het slachtoffer niet vastgesteld. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof dat er sprake is van ernstig en blijvend letsel op basis van het voorgaande niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof ten aanzien van de toewijzing van de vergoeding van affectieschade.

Hoge Raad 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806

Staat aansprakelijk voor blootstelling van defensiemedewerkers aan Chroom-6?

Verweerders zijn als defensiemedewerkers gedurende lange tijd blootgesteld aan verf met Chroom-6. Bij verweerders hebben zich ziektes geopenbaard die kunnen ontstaan door blootstelling aan Chroom-6. In deze procedure vorderen verweerders schadevergoeding van de Staat aangezien de staat hen onvoldoende heeft ingelicht over de blootstelling aan Chroom-6 en onvoldoende maatregelen heeft getroffen om blootstelling aan Chroom-6 te voorkomen. Verweerders hebben van de Staat uit een uitkeringsfonds een uitkering ontvangen. Het hof heeft geoordeeld dat de Staat geen beroep toekomt op de tenzij-formule van art. 7:658 lid 2 BW aangezien de Staat bekend moet zijn geweest met de schadelijkheid van Chroom-6. Het hof constateert dat verweerders om voor een vergoeding uit het uitkeringsfonds in aanmerking te komen medische informatie hebben verstrekt aan de Staat. Met het doen van uitkeringen aan verweerders heeft de Staat volgens het hof de aandoeningen van verweerders erkend. Vervolgens oordeelt het hof dat ‘de Staat in wezen haar aansprakelijkheid jegens verweerders heeft erkend.’ In deze cassatieprocedure wordt opgekomen tegen de hiervoor aangehaalde zinsnede van het hof dat in wezen aansprakelijkheid zou zijn erkend door een uitkering uit het uitkeringsfondsen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de aansprakelijkheid van de Staat niet alleen heeft gebaseerd op de uitkering uit het uitkeringsfonds maar ook aan de hand van diverse andere omstandigheden, waaronder een rapport van het RIVM. De klachten kunnen dan ook niet tot cassatie leiden. Zodoende is de Staat aansprakelijk voor de blootstelling van verweerders aan Chroom-6.